De NVAO maakt gebruik van cookies, onder andere om de website te analyseren en het gebruiksgemak te vergroten. Door op 'Cookies toestaan' te klikken, geeft u toestemming voor het gebruik van cookies.

Cookies niet toestaan Cookies toestaan

Vraagbaak Instellingsreview Vlaanderen

De antwoorden op vragen van instellingen zijn aanvullingen bij het Kader Instellingsreview en de Kwaliteitscode. De vragen vervangen niet het kader en de Kwaliteitscode, noch vormen ze een verdere invulling of interpretatie ervan. De invulling of interpretatie is de verantwoordelijkheid van de instelling, omdat het kader moet passen binnen de visie van de instelling (en dus niet omgekeerd).

Meer informatie

NVAO contactadres instellingsreview

Onderwerpen

(versie 4/12/2015)

  1. Algemeen
  2. De kritische reflectie
  3. De regie-rapportage
  4. Het accreditatieportret
  5. Kwaliteitscultuur
  6. Reviewcommissie
  7. Bestuurlijk overleg
  8. Het eerste locatiebezoek
  9. Het tweede locatiebezoek / de review trails
  10. Kwaliteitskenmerken

1. Algemeen

Wat is de algemene filosofie van de instellingsreview?

De instellingsreview hanteert een waarderende aanpak. Het uitgangspunt is hierbij dat de context van de instelling en het door de instelling gekozen model het startpunt is  (en niet de standaarden). Er wordt dan ook niet beoordeeld of het gekozen model goed is, maar wel of het gekozen model werkt. Op die manier waardeert het stelsel de kwaliteitszorginspanningen van de afgelopen decennia en de autonomie die de instellingen op dit vlak hebben opgenomen.

Vanuit bovenstaande filosofie volgt dat de instellingen zelf het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 interpreteren en verder invullen. Dit kader mag dan ook niet als prescriptief of modellerend geïnterpreteerd worden. (Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een compliance-benadering.)

De reviewcommissie zal bij het hanteren van het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 de instelling en het gekozen model vanuit de positie van het instellingsbestuur bekijken. Vanuit dit perspectief beoordeelt de commissie of het door de instelling gekozen model werkt.

Moet er een formele aanvraag voor een instellingsreview worden ingediend (Codex Hoger Onderwijs, art. II. 127)?

De vastgestelde kalender voor de instellingsreviews, die in overleg tussen de NVAO en de VLUHR tot stand kwam, geldt als de formele aanvraag van alle instellingen voor hun instellingsreview. Er zijn dus geen individuele aanvragen voor de instellingsreview nodig.

Hoe kan een instelling best omgaan met niet-werkende elementen in visie en aanpak? (=Falen en hoe daarmee omgaan?)

De instelling draagt zelf de verantwoordelijkheid over de kwaliteit van haar onderwijs. Ze voorziet daarom een kwaliteitszorgsysteem dat continue opvolging van de opleidingskwaliteit toelaat. Indien daarbij aandachtspunten aan het licht komen, is het van belang dat de instelling de gepaste verbeteracties onderneemt en remediëringsvermogen aan de dag legt. Het aantonen van dit remediëringsvermogen laat de commissie toe om een uitspraak te doen over het opvolg- en verbeterbeleid van de instelling. De aanwezigheid van verbeterpunten of niet-werkende elementen in de visie en de aanpak moeten daarom niet verborgen gehouden worden. Het is de manier waarop de instelling met die elementen omgaat die bepalend is voor het oordeel van de commissie.

Worden de gezamenlijke opleidingen (zoals Erasmus Mundus masteropleidingen en interuniversitaire opleidingen) buiten beschouwing gelaten tijdens de instellingsreview?

Neen, alle opleidingen die (deels) aan een bepaalde instelling aangeboden worden, vallen onder de verantwoordelijkheid van die instelling. Ook ten aanzien van gezamenlijke opleidingen implementeert een instelling een beleid om op effectieve wijze de kwaliteit van de aangeboden opleidingen te bewaken. Hierbij wordt tevens de rol van de partners duidelijk.

2. De kritische reflectie

Wat is het vertrekpunt van een kritische reflectie?

Het vertrekpunt van de kritische reflectie is de visie op onderwijs, waar de visie op kwaliteit een inherent onderdeel van uitmaakt, en het door de instelling gekozen model om die visie waar te maken. Dus onderwijsvisie en -beleid staan centraal en kwaliteit wordt vandaaruit benaderd.

Er wordt niet gevraagd om de kritische reflectie naar de standaarden te schrijven. De standaarden vormen geen strikte grenzen waarbinnen het verhaal van de instelling moet verteld worden. De kritische reflectie mag verhalend zijn en het gekozen model als geheel presenteren. Het is nuttig de (kritische) succesfactoren te behandelen en groeiprocessen een plaats te geven. Daarbij is het vooral belangrijk dat de gemaakte keuzes gemotiveerd kunnen worden. Ten slotte kan de instelling zelf de toekomstige stappen en mogelijkheden ten aanzien van het gekozen model (onderwijsbeleid, kwaliteitszorg, kwaliteitscultuur) verwoorden.

Hoe verwijzen we naar fusies, wijzigingen in de organisatiestructuur en/of de implementatie van nieuwe plannen in de kritische reflectie?

De commissie moet uitgaan van de context van de instelling. Om de context te begrijpen moet de reviewcommissie er voldoende inzicht in krijgen. Deze elementen komen dus best aan bod in de kritische reflectie als ze er voor zorgen dat er geen gaten vallen in de rapportage of dat de  reviewcommissie een vollediger beeld krijgt van de context. Er wordt in de kritische reflectie dus meer dan een momentopname verwacht.

Welke achtergrondinformatie (hogeronderwijslandschap, regelgeving, financiering, et cetera) moet een instelling in de kritische reflectie meegeven?

De NVAO stelt een informatiepakket over het Vlaamse hoger onderwijs en de decretale context ter beschikking van de reviewcommissies. Dit informatiepakket zal in november 2015 voor feedback naar VLIR en VLHORA worden gezonden.

De instelling neemt dus best enkel heel belangrijke en specifieke achtergrondinformatie op. De instelling bepaalt natuurlijk zelf welke informatie belangrijk is om een commissie toe te laten te beoordelen of het door de instelling gekozen model werkt. Hierbij kan bijvoorbeeld de context van de instelling, zoals bijvoorbeeld recente fusies en reorganisaties, belangrijk zijn.

Hoe veel van het verleden en de toekomst mag de kritische reflectie omvatten?  

Het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 wordt door de instelling zelf ingevuld. Het is dus aan de instelling om te bepalen wat belangrijk is om de context van de instelling te begrijpen om de werking van het gekozen model te beoordelen.

Best wordt er geen aandacht gegeven aan de voorgeschiedenis van de instelling, tenzij die voorgeschiedenis erg pertinent is om realisaties aan te tonen of om aan te tonen hoe het nieuwe beleid is vormgegeven. In dit kader passen ook eventuele toekomstplannen. Er kan wel aandacht worden geschonken aan groeiprocessen om eventuele problemen te benoemen zodat een reviewcommissie niet op verrassingen botst.

Mogen we naast de verplichte bijlagen ook nog vrij bijlagen aan de kritische reflectie toevoegen?

Liever niet. De kritische reflectie, inclusief bijlagen, moet een handzaam en duidelijk document zijn. Er kunnen altijd links in de documenten verwerkt worden en als het toch echt moet dan kan informatie tijdens het locatiebezoek ter inzage worden aangeboden.

3. De regie-rapportage

Is de omvang van de regie-rapportage onderdeel van de maximaal 50 pagina’s voor de kritische reflectie?

Neen. Er is geen omvang van de regie-rapportage vastgelegd. Er wordt wel gevraagd om de regierapportage niet te omvangrijk te maken en te mikken op een tiental pagina's.

Wat moet er in die regie-rapportage?

De regie-rapportage beschrijft ten eerste hoe de instelling kwaliteit definieert en de visie van de instelling op de regie van de kwaliteitsborging van de opleidingen. Het gaat hier om een integrale visie en het is dus niet de bedoeling dat die visie al helemaal geïmplementeerd is. Ten tweede beschrijft de regie-rapportage de door de instelling ontwikkelde regie-pilot. Het gaat dan om het aangeven welke elementen van de visie zijn ontwikkeld en waar die ontwikkeling heeft plaatsgevonden (bv. opleidingen, departement, faculteit, enz.).

Is het aangeraden de regie-rapportage apart in te dienen (of te integreren in de kritische reflectie)?

Dit is een keuze die een instelling zelf moet maken. Instellingen kunnen kiezen de regie-rapportage te integreren in de kritische reflectie of apart aan te bieden. Voor het gemak van de reviewcommissie en om de beoordeling van de regie-pilot zo veel mogelijk los te zien van de beoordeling in het kader van de instellingsreview wordt wel aangeraden om van de regie-rapportage een apart document te maken.

4. Het accreditatieportret

Aan de hand van welk bronnenmateriaal wordt het accreditatieportret opgebouwd?

Het gaat enkel om objectieve gegevens uit databanken van de Vlaamse overheid en de NVAO. De NVAO voegt geen subjectieve elementen of analyses toe aan deze gegevens. Het accreditatieportret moet de reviewcommissie helpen zich een (kwaliteitszorg)beeld van de instelling te vormen aan de hand van objectieve data en tien jaar NVAO-accreditaties.

Kan de hogeronderwijsinstelling het accreditatieportret zien voor het naar de commissie gaat?

Het accreditatieportret zal eerst aan de instelling bezorgd worden.

5. Kwaliteitscultuur

Heeft de NVAO een definitie van kwaliteitscultuur waarmee de reviewcommissie zal werken?

Neen. Ook hier is het aan de instelling om zelf het begrip kwaliteitscultuur in te vullen en vorm te geven. 

6. Reviewcommissie

Zal hetzelfde panel gebruikt worden bij alle universiteiten/hogescholen?

De NVAO zal trachten om zoveel mogelijk dezelfde commissieleden in te zetten. Gezien de timing voorgesteld door de instellingen zullen er bijvoorbeeld zes locatiebezoeken zijn in april 2016. Daardoor is het sowieso geen goede zaak dat dezelfde commissieleden verschillende instellingen tegelijkertijd beoordelen. We zouden op enorme planningsproblemen stuiten en de commissieleden zouden veel moeite kunnen hebben om de informatie van de verschillende instellingen van elkaar te kunnen onderscheiden.

Hoe wordt de objectiviteit van de commissie(leden) gewaarborgd?

De leden van de commissie vertrekken vanuit de visie en het beleid van de instellingen. De leden vellen dus geen oordeel vanuit hun eigen visie op onderwijs of vanuit hun eigen visie op de kwaliteit van onderwijs. Door de aanpak en de training van de NVAO zullen commissieleden het waardenkader van de instelling hanteren in de context van die instelling.  De NVAO procescoördinator ziet hier ook op toe tijdens de locatiebezoeken.

Op welke manier komt de reviewcommissie tot een oordeel? (=dialoog tussen instelling en commissie over de bevindingen)

De waarderende aanpak veronderstelt dat de commissie en de instelling elkaar als partners ervaren in het reviewproces. De instellingsreview is een moment van reflectie voor de instelling om stil te staan bij de implementatie van het onderwijsbeleid, de monitoring daarvan en de verbeteracties die daaruit voortvloeien. De commissie vertrekt vanuit de context van de instelling en fungeert als klankbord. Dit leidt ertoe dat de uitkomst van de review in dialoog tot stand komt: de instelling en de commissie gaan in gesprek over de bevindingen en komen gezamenlijk tot een conclusie.

7. Bestuurlijk overleg

Wat is het doel van het bestuurlijk overleg?

Vanuit de NVAO nemen enkel de portefeuillehouder (een bestuurder van de NVAO) en de procescoördinator deel aan het bestuurlijk overleg. Dit overleg geeft de NVAO de mogelijkheid om de procedure aan te passen aan de noden van de instelling. Indien een instelling bv. focust op ondernemerschap dan kan dat op dit moment worden aangebracht en kan eventueel de samenstelling van de reviewcommissie worden aangepast. Er is geen formele uitkomst van dit overleg. De boodschappen van de instelling worden door de procescoördinator overgebracht aan de  reviewcommissie.

Welke gespreksonderwerpen komen aan bod tijdens het bestuurlijk overleg?

In het bestuurlijk overleg bespreken de NVAO en de instellingsverantwoordelijken het profiel en de organisatiestructuur van de instelling, de verwachtingen van de instelling met betrekking tot de instellingsreview en de derde review trail, de timing van de procedure, en de samenstelling van de reviewcommissie. De gespreksonderwerpen worden twee weken voor het bestuurlijk overleg samen met het accreditatieportret aan de instelling bezorgd, zodat de instelling het gesprek waar nodig kan voorbereiden. De instelling kan steeds terecht bij de toegewezen procescoördinator voor bijkomende toelichting.  

8. Het eerste locatiebezoek

Het locatiebezoek duurt 2-5 dagen, maar wat betekent dit in de praktijk?

We gaan ervan uit dat het eerste locatiebezoek maximaal twee dagen duurt. Tijdens het tweede locatiebezoek zal per type review trail (horizontale, verticale en derde) telkens maximaal een dag worden uitgetrokken.

Wie wil de reviewcommissie spreken tijdens het eerste locatiebezoek?

De instelling stelt een lijst op met de personen die de reviewcommissie kan spreken (conform Kader Instellingsreview). Die voorstelling gebeurt op basis van het organigram van de instelling. Het is dan aan de reviewcommissie om (op basis van de kritische reflectie) de gesprekspartners te kiezen.  Hierbij kan bijvoorbeeld ook de voorzitter van de Raad van Bestuur uitgenodigd worden.
De studenten  vormen een uitzondering op bovenstaande. De studenten worden niet geselecteerd door de reviewcommissie maar voorgesteld door de Studentenraad van de instelling. Die kiest volledig autonoom de studenten die de reviewcommissie zal spreken. Deze studenten zijn ook niet noodzakelijk verkozen in de Studentenraad; de Studentenraad is hier dus volledig vrij in. (Deze invulling is op het Klankbordoverleg van 22 mei 2015 beslist.)

Hoe uitgebreid moet een instelling mogelijke gespreksgeledingen oplijsten (lijst alle docenten vs. opleidingsverantwoordelijken); welke selectie moet ze maken?

Tijdens het eerste locatiebezoek wenst de commissie te spreken met gesprekspartners uit de vertegenwoordigende organen (over campussen, faculteiten, departementen, opleidingen of diensten heen). Instellingen kunnen zelf de invulling geven die het best past bij hun aanpak en de accenten in het onderwijsbeleid. Tijdens het tweede locatiebezoek bepaalt de commissie de gesprekspartners op basis van de gekozen review trails. Een beperkt aantal deelnemers bij elk gesprek verzekert dat iedereen aan het woord komt binnen de voorziene gesprekstijd.

Wie zijn de “andere relevante staffunctionarissen” en “vertegenwoordigers uit het beroepenveld”, zoals genoemd in het Kader Instellingsreview?

De instelling moet dit zelf invullen naargelang de eigen accenten en thema's. Indien de instelling bijvoorbeeld nadruk legt op internationalisering dan kunnen deze staffunctionarissen naar voor worden geschoven. Voor het beroepenveld kan het de lijst met personen uit de adviesorganen zijn.

Hoe wordt beslist over de ‘eventuele presentatie van de uitkomsten door de commissie voor een breed publiek’?

Naar aanleiding van de voorbereidende discussies met de instellingen en de stakeholders komt dit onderdeel van de procedure te vervallen. Het past niet meer bij de experimentele, waarderende, en op een algemene evaluatie gerichte aanpak die nu gehanteerd wordt.

Hoe zal de terugkoppeling na het eerste locatiebezoek georganiseerd worden?

Er zal na het eerste locatiebezoek geen inhoudelijke terugkoppeling gebeuren. De terugkoppeling is beperkt tot het aangeven welke review trails uitgevoerd zullen worden.

Wie organiseert de praktische elementen van het locatiebezoek voor de reviewcommissie (hotel, diner, verplaatsingen enzovoorts)?

De NVAO neemt al deze praktische elementen voor haar rekening. De kosten hiervan worden ook gedragen door de NVAO en zijn ingerekend in de prijs van de instellingsreview.

9. Het tweede locatiebezoek/de review trails

Welke review trails vinden er plaats tijdens het tweede locatiebezoek?

Er zijn drie types review trails: de horizontale, de verticale en de derde review trail.

De horizontale review trail (HRT) focust op een onderwerp, thema, of accent waarop de instelling zich profileert. De reviewcommissie tracht in één of meerdere trails na te gaan of het desbetreffende beleid effectief wordt uitgevoerd over de breedte van de hele instelling. Dit betekent niet dat de reviewcommissie de hele breedte van de instelling in de HRT betrekt. De reviewcommissie zal onderdelen selecteren (bijvoorbeeld faculteit(en)/departement(en)) en daar de uitvoering van het desbetreffende beleid nagaan.

De verticale review trail (VRT) focust op de werkelijke uitvoering van elementen uit de eerste standaard (visie en beleid: onderwijsbeleid, kwaliteitszorg, kwaliteitscultuur) en betreffen dus de uitrol van het gekozen model. De reviewcommissie tracht hier na te gaan of aan de hand van deze elementen blijkt of het model gedragen is ("in het DNA zit") en of er top-down en bottom-up voldaan wordt aan de standaarden uit het Kader Instellingsreview. Dit betekent dat de reviewcommissie onderdelen van de instelling in de VRT betrekt. De reviewcommissie zal twee of meer opleidingen selecteren en daar nagaan in hoeverre elementen van de in de eerste standaard genoemde visie en beleid daadwerkelijk uitgevoerd wordt. De reviewcommissie zal daartoe alle standaarden van het kader successievelijk behandelen.

De derde review trail (3RT) focust op de regie van de borging van de kwaliteit van de opleidingen. De reviewcommissie zal vanuit de door de instelling ontwikkelde visie op de regie in de door de instelling vormgegeven pilot(s) de verwezenlijkingen van de instelling bekijken. De reviewcommissie zal dan trachten na te gaan welke mogelijkheden de ontwikkelde visie de instelling geeft en hoe deze mogelijkheden geoptimaliseerd kunnen worden vanuit de ervaringen in de pilot(s). Er zal zeker aandacht geschonken worden aan de betrokkenheid van de stakeholders en de peers (welke? manier waarop?), de resultaten en uitkomsten (bijvoorbeeld link stakeholders? bijdrage kwaliteitscultuur?) en de publieke toegankelijkheid van informatie over de kwaliteit van de opleiding.

Waar vinden de review trails plaats: centraal, bij faculteiten/departemen of bij opleidingen?

De praktische uitwerking zal gebeuren in overleg tussen de instelling en de reviewcommissie. Normaal gezien zal een reviewcommissie ter plaatse gaan maar de manier waarop dit zal gebeuren wordt door de reviewcommissie beslist.

Waarom is er in het Kader Instellingsreview geen enkele verwijzing opgenomen naar de derde review trail?

Het Kader Instellingsreview is opgevat als van toepassing op alle instellingen, dus ook op de instellingen die er voor zouden kiezen om geen regie-pilot(s) te laten beoordelen via een derde review trail. De derde review trail is daarom vormgegeven als aanvullend aan de instellingsreview. Zo zal de instelling ook een aparte rapportering ontvangen over enerzijds de instellingsreview en anderzijds de derde review trail.

Kan een instelling suggesties doen voor de review trails?

De horizontale en verticale review trails zijn gebaseerd op de elementen die de instelling zelf aanreikt in de kritische reflectie en tijdens het bestuurlijk overleg. In die zin kan elke instelling hier sturend in zijn. Het is echter wel de autonomie van de reviewcommissie om de uiteindelijke keuze te maken na het eerste locatiebezoek. De derde review trail is in feite volledig door de instelling bepaald omdat het hier enkel de regie-pilots betreft.

Met wie spreekt de commissie tijdens de review trails?

De review trails zijn steeds maatwerk en daardoor minder voorspelbaar. De gesprekspartners hangen volledig af van de gekozen review trail. Er kunnen daardoor geen opsommingen van gespreksgroepen gegevens worden. In uitzonderlijke gevallen zal de review-commissie ook pas ter plaatse kunnen vragen om bepaalde personen of functies te zien. De reviewcommissie is dan wel afhankelijk van de personen die op dat moment aanwezig zijn.

10. Kwaliteitskenmerken

Worden de kwaliteitskenmerken apart beoordeeld?

Nee, de kwaliteitskenmerken worden als geheel bekeken en vormen vooral een leidraad voor de instellingen zelf om hun regie-pilots vorm te geven.

Uit de voorbereiding van het stelsel en uit de bespreking in het Vlaams Parlement blijkt wel dat het kwaliteitskenmerk "Informatie over de kwaliteit van de opleiding is publiek toegankelijk" een belangrijke rol zal spelen in de evaluatie van de instellingsreview en de regie-pilots. Transparantie is namelijk erg belangrijk voor het stelsel; als die transparantie verdwijnt, ondermijnt dit mogelijk een positieve evaluatie van het stelsel. De uitkomsten kunnen dus wegen op de voorbereiding van het nieuwe kwaliteitszorgstelsel vanaf 2020. De NVAO beveelt dan ook aan hier specifieke aandacht aan te besteden in de regie-rapportage (bijvoorbeeld over welke informatie gaat het?) en dit element ook te laten beoordelen door de interne en externe stakeholders.
 

Aan het gebruik van de Vraagbaak kunnen geen rechten worden ontleend.