De NVAO maakt gebruik van cookies, onder andere om de website te analyseren en het gebruiksgemak te vergroten. Door op 'Cookies toestaan' te klikken, geeft u toestemming voor het gebruik van cookies.

Cookies niet toestaan Cookies toestaan

Veelgestelde vragen

Algemeen

  • Geldt de accreditatie voor alle locaties?

    In het beoordelingsproces wordt de kwaliteit van een opleiding per locatie beoordeeld. 

  • Hoe kan ik zien of een opleiding is geaccrediteerd?

    In Nederland en Vlaanderen mogen alleen geaccrediteerde opleidingen van erkende hogescholen en universiteiten erkende bachelor- en masterdiploma's uitreiken. 

    • In de NVAO-databank (zie homepage) staan alle door de NVAO geaccrediteerde Nederlandse en Vlaamse hogeronderwijsopleidingen, inclusief besluit en bijbehorend visitatierapport;
    • Het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) is het officiele register van geaccrediteerde opleidingen binnen het Nederlandse hoger onderwijs;
    • Het Hogeronderwijsregister (HOR) is het officiele register van geaccrediteerde opleidingen binnen het Vlaamse hoger onderwijs, en bevat tevens nieuwe, (tijdelijk) erkende bachelor- en masteropleidingen;
    • De website Qrossroads bevat informatie over geaccrediteerde hogeronderwijsopleidingen in Europa.
  • Hoe weet ik wat de kwaliteit van een opleiding is?

    Alle opleidingen aangeboden door de erkende instellingen worden beoordeeld op hun kwaliteit. In dit kwaliteitszorgstelsel zijn de opleidingen en instellingen zelf betrokken, de evaluatieorganen die met onafhankelijke commissies van deskundigen (panels) de daadwerkelijke visitaties uitvoeren en de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) die op basis van de visitatierapporten van de panels wel of niet de accreditatie verstrekt. Hoewel de kwaliteit van het hoger onderwijs dus de verantwoordelijkheid is van de opleiding en de instelling zelf, is het uiteindelijk de NVAO die als onafhankelijke instantie de kwaliteit van de opleidingen waarborgt.

    De NVAO publiceert per opleiding en instelling haar besluiten en de visitatierapporten op haar website (databank homepage).

  • Ik wil een opleiding laten accrediteren/een instelling starten

    Nederlandse particuliere organisaties (rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid) die geen financiering ontvangen van de overheid kunnen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden erkend als "rechtspersoon voor hoger onderwijs" om daarna geaccrediteerde opleidingen aanbieden en wettelijk erkende bachelor- en mastergraden af te geven. Hiervoor geldt een aparte procedure.

    In Vlaanderen kunnen instellingen alleen bij decreet of bij besluit van de Vlaamse regering worden erkend. Bij decreet gaat het om ambtshalve geregistreerde instellingen, bij besluit om een geregistreerde instellingen. Alle erkende instellingen worden opgenomen in het Hogeronderwijsregister.

  • Kunt u mijn diploma accrediteren?

    De NVAO heeft geen taak op het gebied van het erkennen en waarderen van Nederlandse, Vlaamse en internationale diploma's. Voor informatie kunt u met onderstaande organisaties contact opnemen, Nederland: Informatiecentrum Diplomawaardering en Vlaanderen: National Academic Recognition Information Centre Flanders (NARIC Vlaanderen).

    Voor Nederlandse diploma's van voor 2005 adviseert de NVAO u contact op te nemen met de instelling waar de opleiding is gevolgd (of met de rechtsopvolger) om een uitspraak te krijgen met welk huidig hoger onderwijsdiploma het getuigschrift of diploma overeenkomt. Voor algemene vragen kunt u contact opnemen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen: burgervragen@minocw.nl

  • Wanneer moet een opleiding worden geaccrediteerd?

    In Nederland is de accreditatietermijn zes jaar. Bestaande opleidingen dienen per 1 mei of 1 november bij de NVAO een aanvraag in voor heraccreditatie een jaar voor het aflopen van de accreditatietermijn. Het beoordelen van een nieuwe opleiding kan op ieder moment worden ingediend.

    In Vlaanderen is in 2015 een geïntegreerd systeem voor externe kwaliteitszorg gestart, bestaande uit een instellingsreview, een reviewtrail op de regie van de kwaliteitsborging van de opleidingen en accreditatie van een welomschreven groep van opleidingen. De bestaande opleidingen van de hogescholen en de universiteiten worden tot 2021 vrijgesteld van opleidingsvisitaties en -accreditatie.
    Binnen de hogescholen en de universiteiten worden geen nieuwe bachelor- of masteropleidingen geprogrammeerd (moratorium). Nieuwe postinitiële opleidingen (bachelor-na-bacheloropleidingen, postgraduaten) en taalvarianten van bestaande opleidingen blijven wel mogelijk.

  • Wat betekent EC(TS)?

    Bij de start van het bachelor-masterstelsel in 2002 is het studiepuntensysteem European Credit Transfer System (ECTS) ingevoerd: een studiejaar kent 60 EC (= 1680 studie-uren). De studielast van iedere opleiding en iedere onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten (EC's): 

    EC's Nederland

    Vlaanderen

    2-jarig associate degreeprogramma (Ad) 120 -
    HBO5 - 90 / 120
    master min. 60 min. 60
    academische bachelor (3 jaar) - 180
    wo-bachelor (3 jaar) 180 -
    professionele bachelor (3 jaar) - 180
    hbo-bachelor (4 jaar) 240 -
    internationale joint degree-opleiding min. 90 min. 90
  • Wat doet de NVAO?

    De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) is als onafhankelijk accreditatieorgaan bij Verdrag opgericht tussen Nederland en Vlaanderen en borgt sinds 2005 als publieke binationale instelling in beide regio's de kwaliteit van het hoger onderwijs.

    Dit doet de NVAO door accreditatie te verlenen aan opleidingen van universiteiten en hogescholen in Nederland en Vlaanderen en de interne kwaliteitsborging van deze instellingen periodiek te beoordelen. De taken van de NVAO zijn in wetgeving vastgelegd.

  • Wat is accreditatie van rechtswege?

    In Nederland zijn alle ruim 3500 bestaande opleidingen met de start van het bachelor-mastersysteem in 2002 door de wetgever van rechtswege geaccrediteerd. De opleidingen zijn daarna tot 2010 allemaal voor het eerst een keer door de NVAO geaccrediteerd. In 2011 is het tweede accreditatiestelsel ingevoerd en een instellingstoets kwaliteitszorg voor het beoordelen van de interne kwaliteitszorg bij hogescholen en universiteiten. Sinds 2017 wordt gewerkt met een nieuw beoordelingskader voor het beoordelen van instellingen, bestaande en nieuwe opleidingen.

    In Vlaanderen is het accreditatiestelsel gestart in 2003. Alle bestaande opleidingen zijn op dat moment van rechtswege geaccrediteerd en tot het academiejaar 2012-2013 een eerste keer door de NVAO beoordeeld. In het academiejaar 2013-2014 is het tweede accreditatiestelsel ingevoerd. Dit stelsel is in het academiejaar 2015-2016 aangepast aan de nieuwe wetgeving en kaders van de NVAO. In 2015 is een geïntegreerd systeem voor externe kwaliteitszorg gestart, bestaande uit een instellingsreview, een reviewtrail op de regie van de kwaliteitsborging van de opleidingen en accreditatie van een welomschreven groep van opleidingen. 

  • Wat is accreditatie?

    De bachelor-masterstructuur (bama) is in 2002 ingevoerd om de opleidingen in het hoger onderwijs in Europa beter met elkaar te kunnen vergelijken. Daarnaast is een accreditatiestelsel ingevoerd om de kwaliteit van het hoger onderwijs te toetsen en te waarborgen. Volgens het European Consortium for Accreditation in higher education (ECA) is accreditatie het formele besluit van een onafhankelijke instantie of een opleiding of een instelling voldoet aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen. 

    Voor Nederland en Vlaanderen betekent dit dat accreditatie het formele besluit is van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) dat een opleiding voldoet aan de eisen zoals zijn vastgelegd in het (accreditatie- of beoordelings)kader. Dit kader bevat de door de ECA “vooraf vastgestelde kwaliteitseisen” en sluit aan op de European Standards and Guidelines (ESG) zoals deze in Europees verband aan de accreditatie worden gesteld. De besluiten van de NVAO worden genomen op basis van een rapport van een onafhankelijke commissie van deskundigen (visitatiepanel) die op basis van peer review de desbetreffende opleiding of instelling heeft beoordeeld. De panels gebruiken het kader van de NVAO om een oordeel te vormen over de opleiding of instelling.

    Een accreditatietermijn duurt in Nederland zes jaar en in Vlaanderen acht jaar (voor bestaande opleidingen) of vier jaar (voor nieuwe opleidingen). 

    Accreditatie is een voorwaarde voor de betrokken instelling om overheidsfinanciering te krijgen voor de betrokken opleiding; voor de betrokken opleiding om een door de overheid erkend diploma uit te reiken en voor de betrokken student om studiefinanciering (een studiebeurs) te krijgen.

  • Wat is het verschil tussen Nederlandse en Vlaamse opleidingen?

    Nederlandse bachelor- en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs (hbo) en Vlaamse professioneel gerichte opleidingen hebben een beroepsgerichte oriëntatie. Afstuderen betekent in dit geval dat de afgestudeerde de noodzakelijke kennis en vaardigheden heeft om een bepaald beroep (zoals verpleger of leraar) uit te oefenen.

    Nederlandse en Vlaamse universitaire opleidingen leiden op tot een wetenschappelijke/academische oriëntatie in een bepaald vakgebied en zijn meer gericht op onderzoek. Daarnaast kent Vlaanderen het HBO5, een beroepsgerichte opleiding op hoger onderwijsniveau die niet rechtstreeks leidt tot een graad van bachelor of master. In Nederland bestaan nog de Associate degree (Ad), een tweejarig programma op hbo-niveau en de onderzoeksmaster (research master), een tweejarige wetenschappelijke master specifiek gericht op onderzoeksvaardigheden in een bepaald vakgebied. Vlaanderen kent bachelor na bachelor- en master na masteropleidingen, in Nederland post-initiele opleidingen genoemd.

    Een Vlaamse professionele bacheloropleiding duurt drie jaar (180 EC's - studiepunten) en een Nederlandse hbo-bacheloropleiding vier jaar (240 EC's). Een Nederlandse hbo-bachelor is gelijk aan een Vlaamse professionele bachelor, ongeacht de studieduur. Een vergelijkbare situatie geldt voor masters: er zijn Nederlandse masters die minimaal een jaar (60 EC's) duren en Vlaamse masters van twee jaar (120 EC's), en omgekeerd. 

    De NVAO behandelt Nederlandse en Vlaamse bachelor- en masteropleidingen volgens eigen beoordelingskaders en dezelfde internationale standaarden. Nederland en Vlaanderen erkennen elkaars bachelor- en masteropleidingen, zowel binnen de beroepsgerichte oriëntatie als de academische/wetenschappelijke oriëntatie.

  • Wat is kwaliteitszorg

    Accreditatie maakt deel uit van de kwaliteitszorgsysteem van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Kwaliteitszorg is het proces dat het vertrouwen van de belanghebbenden (stakeholders) bevestigt dat het onderwijs (input, proces en resultaten) de verwachtingen inlost of aan de minimumvereisten voldoet. Accreditatie vormt dan als externe kwaliteitsborging de - positieve - afsluiting van de interne kwaliteitszorg door de opleiding of instelling.

    In het hoger onderwijs wil kwaliteitszorg een bijdrage leveren aan de constante verbetering van de kwaliteit van het onderwijs; het verantwoording afleggen aan de maatschappij voor het gebruik van publieke middelen en informatie verstrekken aan studenten en ouders over de kwaliteit van het hoger onderwijs.

  • Wie kan accreditatie aanvragen?

    In Nederland beoordeelt de NVAO de interne kwaliteitszorg bij hogescholen en universiteiten en bestaande en nieuwe opleidingen van universiteiten, hogescholen en rechtspersonen voor hoger onderwijs (erkende private instellingen). 

    In Vlaanderen zijn in het kader van de pilot instellingsreview de bestaande opleidingen van de hogescholen en de universiteiten tot 2021 vrijgesteld van opleidingsvisitaties en -accreditatie. Binnen de hogescholen en de universiteiten worden geen nieuwe bachelor- of masteropleidingen geprogrammeerd (moratorium). Nieuwe postinitiële opleidingen (bachelor-na-bacheloropleidingen, postgraduaten) en taalvarianten van bestaande opleidingen blijven wel mogelijk.

    Private organisaties kunnen door de minister van Onderwijs worden erkend als hogeronderwijsinstelling, in Nederland als 'rechtspersoon voor hoger onderwijs' en in Vlaanderen als 'geregistreerde instelling'. Daarna kunnen zij bij de NVAO opleidingen ter accreditatie aanbieden. 

Beoordelingskader 2016 Nederland

  • Hoe verhouden de verantwoordelijkheden van de instelling zich met die van het panel?

    Beide partijen hebben een verantwoordelijkheid om tot goede oordeelsvorming te komen. Het accreditatieproces wordt gevormd door het samenspel tussen het panel en de instelling. De instelling is eigenaar van het proces en neemt het panel mee in haar gedachtegang. Degelijke oordeelvorming is een gezamenlijk belang. Indien het nodig is om tot een navolgbaar oordeel te komen, kan het panel extra informatie opvragen. De vorm daarvan is vrij. Het kader is leidend voor de oordeelsvorming. De NVAO investeert erin dat panels en instellingen het kader goed begrijpen en kunnen toepassen.

    Zowel de verantwoordings- als de verbeterfunctie komen tijdens het visitatieproces geïntegreerd aan bod. De instelling kan zelf beslissen over de wijze van rapporteren over de verbeteringen. De informatie is publiek en dus ook voor de NVAO toegankelijk.

     

  • Hoe vrij is de opleiding/instelling?

    Het kader is leidend voor de oordeelsvorming en de standaarden blijven gelijk. De NVAO stimuleert dat panels en instellingen het kader goed begrijpen en kunnen toepassen. De NVAO blijft strak op de inhoud, maar geeft vrijheid in de vorm. Vormvrijheid is daarbij geen doel, maar een middel om de eigenheid van de opleiding weer te geven. De instelling neemt het panel mee in de organische ontwikkeling binnen de opleiding en laat zien dat de reflectieve cyclus van de opleiding werkt waarbij alle standaarden worden meegenomen.

    De visitatie is, binnen de krijtlijnen van het kader, vormvrij. Het kader schetst de bandbreedte. De vrijheid zit in het inrichten van het locatiebezoek, de samenstelling van het programma tijdens het bezoek en de kritische reflectie. Het doel daarbij is fitness for purpose. De eigenheid van de opleiding en instelling moet worden meegenomen en begrepen door het panel. Wat belangrijk is, is dat de opleiding of instelling laat zien hoe je met elkaar aan kwaliteit werkt. Het panel moet wel akkoord gaan met de voorstellen van de instelling – zij moeten gezamenlijk besluiten dat de voorstellen geschikt zijn om tot gedegen en navolgbare oordelen te komen.

  • Sinds wanneer geldt het actuele beoordelingskader?

    Het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland 2016 ('kader 2016') geldt sinds 1 januari 2017 (Staatscourant, 69458, 20 december 2016). Tevens is een overgangsregeling ingesteld.

    Het kader 2016 beschrijft de procedures voor de beoordeling van de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) en de beperkte/uitgebreide opleidingsbeoordeling (hbo/wo, associate degree, nieuwe opleiding). Voor wat betreft relevante overige procedures worden aparte uitwerkingen ontwikkeld die zoveel mogelijk worden samengevoegd.

  • Verantwoorden versus verbeteren

    Het beoordelingskader 2016 scheidt de functies van verantwoording en verbetering tijdens het locatiebezoek (bij bestaande opleidingen). Het visitatierapport maakt duidelijk welke bevindingen hebben geleid tot de toegekende oordelen en vormt de basis voor een accreditatiebesluit. Aanbevelingen tot verbetering zijn opgenomen in het rapport. De instelling publiceert daarnaast binnen een redelijke termijn na het accreditatiebesluit van de NVAO de conclusies die zijn verbonden aan het ontwikkelgesprek met het panel.

  • Verschil kader 2014 en kader 2016: ITK

    Instellingstoets kwaliteitszorg (ITK)

    • standaarden ITK zijn actiever geformuleerd en dichter bij het onderwijs zelf: in plaats van accent op monitoren en aansturen van kwaliteit onderwijs ligt het accent nu op het actueel en passend houden van de onderwijsvisie, verwezenlijking onderwijsvisie en duurzame kwaliteitsontwikkeling. Voorbeeld standaard 3: van managementinformatiesysteem dat geaggregeerde informatie oplevert naar het organiseren van effectieve feedback met reflectie en medezeggenschap in alle lagen van de instelling;
    • de aparte standaard organisatiestructuur is ondergebracht in de overige standaarden, daardoor is één standaard vervallen;
    • bij instellingen die beschikken over een ITK wordt past performance betrokken bij de beoordeling in het kader van het verlengen van de geldigheidsduur ITK;
    • betrokkenheid van de relevante stakeholders (medewerkers, studenten, beroepenveld) nu geëxpliciteerd in alle standaarden.


    Wat is toegevoegd:

    • expliciete verwijzing naar de European Standard and Guidelines (ESG) en aandacht voor student-centred learning;
    • beslisregel positief onder voorwaarden bij maximaal 2 ‘voldoet ten dele’;
    • beslisregel negatief bij 3 of meer ‘voldoet ten dele’;
    • mogelijkheid om verkennend en verdiepend bezoek achtereenvolgens plaats te laten vinden voor instellingen met een ITK, of wanneer gebruik wordt gemaakt van een internationaal panel;
    • één audittrail is nader omschreven: verdiepend onderzoek naar effectiviteit kwaliteitszorg en risicomanagement opleidingen.


    Wat staat er niet meer in?

    • randvoorwaarden voor verkennend bezoek zijn niet meer uitgeschreven.

     

  • Verschil kader 2014 en kader 2016: lastenverlichting

    Lastenverlichting

    • binnen het beoordelingskader is het aantal soorten beoordelingen teruggebracht van 7 naar 2 (instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) en opleidingsbeoordeling). Overlap kader ITK en beperkte beoordeling weggenomen;
    • veel ruimte om beoordeling af te stemmen op eigen doelstellingen en interne kwaliteitszorg:
      - zelfevaluatie vormvrij;
      - mogelijkheid om gebruik te maken van bestaande documenten;
      - instelling is ‘in de lead’ voor wat betreft materiaal ter inzage tijdens locatiebezoeken (naar eigen inzicht).
      - panels zijn terughoudend in het opvragen van aanvullende informatie;
      - opleidingsbeoordeling: mogelijkheid om als sector in gesprek te gaan met NVAO over inrichting proces.
    • rol en betrokkenheid studenten/ medezeggenschap vergroot:
      - eigen hoofdstuk studenten/OC (bij bestaande opleidingen);
      - zelfevaluatie voorgelegd aan medezeggenschap;
      - herstel: advies/beoordeling OC van het herstelplan;
      - ITK: bij de verschillende standaarden staat expliciet de rol en betrokkenheid van de stakeholders beschreven.


    Om de vermindering in lastendruk te versterken, zal de NVAO heldere randvoorwaarden verstrekken door meer informatie te verstrekken. Ook worden regelmatig informatieve bijeenkomsten georganiseerd. Door onzekerheden weg te nemen, kunnen processen sneller en gemakkelijker worden doorlopen en zullen minder vragen tijdens de accreditatieprocedure zelf beoeven te worden gesteld. Dit versnelt de besluitvorming. Daarnaast werkt de NVAO samen met andere (internationale) accreditatieorganisaties om tot gezamenlijke accreditatieprocedures te komen.

  • Verschil kader 2014 en kader 2016: opleidingsbeoordeling

    Opleidingsbeoordeling

    • één kader voor de verschillende opleidingsbeoordelingen (wo, hbo, ad/bestaand, nieuw);
    • locatiebezoek: minder is vastgelegd - initiatief voor inrichting van het programma ligt nu bij de instelling;
    • scheiding van verantwoorden en verbeteren in uitvoering beoordeling: eerste deel van de beoordeling voor accreditatie + tweede deel is een ontwikkelgesprek tussen opleiding en panel (incl. tweedeling adviesrapport voor NVAO besluitvorming en conclusies ontwikkelgesprek );
    • kwaliteit docententeam in plaats van kwaliteit personeel.


    Wat is toegevoegd?

    • verwijzing naar de ESG en aandacht voor student-centred learning;
    • uitgebreide beoordeling:
    • aansluiting bij onderwijsvisie en profiel instelling (S1,4);
    • expliciete en breed gedragen kwaliteitszorg in plaats van periodieke opleidingsevaluatie (meer op het handelen zelf, dichter bij stakeholders, immers breed gedragen);
    • de opleiding publiceert accurate, betrouwbare en voor de doelgroepen goed toegankelijke informatie over de kwaliteit van de opleiding.


    Wat staat er niet meer in?

    • niet meer geëxpliciteerd dat het panel bepaalt welk ‘palet van eindprestaties’ als eindwerken van de opleiding worden beoordeeld. De opleiding bepaalt dit nu;
    • documenten ter inzage: nu naar inzicht van de opleiding, niet meer uitgeschreven welke dit moeten zijn;
    • beperkte opleidingsbeoordeling TNO: standaard afstudeergarantie en financiële voorzieningen verwijderd.

     

  • Verschil kader 2014 en kader 2016: panelsamenstelling

    Panelsamenstelling

    • alle panelleden krijgen een training/briefing over de desbetreffende beoordeling;
    • criterium onafhankelijkheid panel beknopter (en scherper) geformuleerd: geen directe, of indirecte banden die leiden tot een conflict of interest;
    • ITK toegevoegd: expertise met betrekking tot effectiviteit van kwaliteitszorgsystemen, maatschappelijk veld, werkveld, deskundigheid specifieke aspecten (zijn detailpunten).

     

  • Verschil kader 2014 en kader 2016: visitatierapport

    Voor het visitatierapport dat naar de NVAO wordt gestuurd, verandert niets met de invoering van het nieuwe beoordelingskader (kader 2016). De eis blijft dat de oordelen herleidbaar tot de standaarden en navolgbaar moeten zijn.

    De NVAO publiceert de visitatierapporten van alle geaccrediteerde opleidingen via haar website, maar houdt geen ranking bij van de kwaliteit van rapporten

  • Wat is de betekenis van de tweede ITK?

    Het huidige stelsel bevat geen aparte status voor instellingen met of zonder een positief besluit voor de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK). Wel kan een instelling met een ITK een beperkte opleidingsbeoordeling (BOB) aanvragen. De (wijze van) onderbouwing van de past performance ligt bij de instelling. Hier ontwerpt de NVAO geen aparte indicatoren voor.

    Een positieve instellingstoets geeft aan dat de kwaliteitszorg met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs binnen de instelling (interne kwaliteitszorg) afdoende is gewaarborgd. Het daaruit volgende beperkte karakter van de opleidingsbeoordeling (BOB) betekent dat de NVAO het visitatierapport op een terughoudender manier toetst dan bij de uitgebreide opleidingsbeoordeling (UOB).

    Wanneer een instelling niet beschikt over een positief ITK-besluit behandelt de NVAO de opleidingen via de UOB, maar op basis van hetzelfde vertrouwen. Elke opleiding wordt op die basis individueel getoetst. Daarbij evalueert de NVAO de kwaliteit van het rapport en proces enerzijds en de navolgbaarheid van de onderbouwing van de basiskwaliteit anderzijds.

  • Wat is nieuw in het kader 2016?

    Het Beoordelingskader accreditatiestelsel hoger onderwijs Nederland 2016 (kader 2016) past in de voorstellen 'Accreditatie op maat' van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het verder ontwikkelen van het Nederlandse accreditatiestelsel via spoor 1) optimalisering huidig accreditatiestelsel - bestaande uit 1a) vernieuwd accreditatiekader en 1b) wetsvoorstel 'Accreditatie op maat' - en spoor 2) de pilot instellingsaccreditatie. Voor spoor 1a) heeft de NVAO bekeken of binnen de huidige wetgeving het begrip  'vertrouwen' in het beoordelingskader meer een plek kon krijgen.

    Het kader 2016:

    • gaat uit van de visie en doelstellingen van de instelling of opleiding
    • heeft een open opzet
    • met grotendeels gelijke standaarden als het kader 2014
    • is eenduidiger (minder verschillende kaders, handleidingen en protocollen)
    • biedt vrijheid voor inrichting van het zelfevaluatierapport en locatiebezoek
    • beperkt de beoordelingslast (maakt zoveel mogelijk gebruik van bestaande documentatie)
    • versterkt de positie van studenten (studentenhoofdstuk)
    • bij bestaande opleidingen de zelfevaluatie niet meer aan criteria gebonden
    • scheidt de verantwoordings- en verbeterfunctie door het locatiebezoek te splitsen in twee delen
    • ligt de keuze voor de aan te leveren of ter inzage aanwezige documenten in eerste instantie bij de opleiding of instelling
    • biedt de mogelijkheid om als sector, voorafgaand aan het accreditatieproces met de NVAO te spreken over de visitatiegroep, het kader, de inhoudelijke thematiek en om werkafspraken te maken, zodat accreditatieproces soepel kan verlopen


    Tevens zijn zaken samengevoegd (bijvoorbeeld één kader voor verschillende opleidingsbeoordelingen); toegevoegd (bijvoorbeeld het criterium student-centred conform de European Standard and Guidelines) én verwijderd (zoals de overlap tussen instellingstoets en de beperkte opleidingsbeoordeling en financiële voorzieningen bij nieuwe opleidingen).

  • Welke overgangsregeling geldt voor het kader 2016?

    De NVAO wil de verbeteringen, die tot stand zijn gekomen na overleg met de onderwijsinstellingen en studenten, zo spoedig mogelijk invoeren. Omdat de voorbereidingen voor een visitatie tijd vergen en in veel gevallen al ruim een jaar voorafgaande aan het bezoek starten, is een overgangsregeling nodig voor het gebruik van het kader 2016. De volgende overgangsregeling is van toepassing:

    Instellingstoets kwaliteitszorg (ITK)
    Alle aanvragen voor de tweede ronde ITK volgen het kader 2016 (uitzondering mogelijk voor die instellingen die in 2017 worden bezocht).

    Accreditatie bestaande opleiding(en)
    Voor visitatiegroepen met inleverdatum 1 mei 2018 geldt het kader 2016 (uitgezonderd de bij de NVAO bekende visitatiegroepen die al aantoonbaar vergevorderd zijn in het proces).

    N.B. Voor visitatiegroepen die al gebruik willen maken van de optimalisatie van het beoordelingsproces, bestaat de mogelijkheid eerder met het kader 2016 te werken.

    Toets nieuwe opleiding
    Alle aanvragen ingediend vanaf 1 mei 2018 volgen het kader 2016.

    N.B. Voor opleidingen die al eerder gebruik willen maken van de optimalisatie van het beoordelingsproces, bestaat de mogelijkheid eerder met het kader 2016 te werken.

Instellingsreview Vlaanderen

  • Hoe gaat het eerste locatiebezoek?

    Het locatiebezoek duurt 2-5 dagen, maar we gaan ervan uit dat het eerste locatiebezoek maximaal twee dagen duurt. Tijdens het tweede locatiebezoek zal per type review trail (horizontale, verticale en derde) telkens maximaal een dag worden uitgetrokken.

    Tijdens het eerste locatiebezoek wenst de commissie te spreken met gesprekspartners uit de vertegenwoordigende organen (over campussen, faculteiten, departementen, opleidingen of diensten heen). Instellingen kunnen zelf de invulling geven die het best past bij hun aanpak en de accenten in het onderwijsbeleid. De instelling stelt een lijst op met de personen die de reviewcommissie kan spreken (conform Kader Instellingsreview). Die voorstelling gebeurt op basis van het organigram van de instelling. Het is dan aan de reviewcommissie om (op basis van de kritische reflectie) de gesprekspartners te kiezen. Hierbij kan bijvoorbeeld ook de voorzitter van de Raad van Bestuur uitgenodigd worden. De “andere relevante staffunctionarissen” en “vertegenwoordigers uit het beroepenveld”, zoals genoemd in het Kader Instellingsreview vult de instelling zelf in naargelang de eigen accenten en thema's. Indien de instelling bijvoorbeeld nadruk legt op internationalisering dan kunnen deze staffunctionarissen naar voor worden geschoven. Voor het beroepenveld kan het de lijst met personen uit de adviesorganen zijn.

    De studenten vormen een uitzondering op bovenstaande: zij worden niet geselecteerd door de reviewcommissie, maar voorgesteld door de Studentenraad van de instelling. Die kiest volledig autonoom de studenten die de reviewcommissie zal spreken. Deze studenten zijn ook niet noodzakelijk verkozen in de Studentenraad; de Studentenraad is hier dus volledig vrij in. (Deze invulling is op het Klankbordoverleg van 22 mei 2015 beslist.)

    Tijdens het tweede locatiebezoek bepaalt de commissie de gesprekspartners op basis van de gekozen review trails. Een beperkt aantal deelnemers bij elk gesprek verzekert dat iedereen aan het woord komt binnen de voorziene gesprekstijd.

    Er zal na het eerste locatiebezoek geen inhoudelijke terugkoppeling gebeuren. De terugkoppeling is beperkt tot het aangeven welke review trails uitgevoerd zullen worden. De ‘eventuele presentatie van de uitkomsten door de commissie voor een breed publiek’ komt te vervallen. Het past niet meer bij de experimentele, waarderende, en op een algemene evaluatie gerichte aanpak die nu gehanteerd wordt.

    De NVAO neemt al de praktische organisatie van het locatiebezoek voor haar rekening (hotel, diner, verplaatsingen enzovoorts). De kosten hiervan worden ook gedragen door de NVAO en zijn ingerekend in de prijs van de instellingsreview.

  • Hoe gaat het tweede locatiebezoek en de review trails?

    Er zijn drie types review trails: de horizontale, de verticale en de derde review trail:

    1. De horizontale review trail (HRT) focust op een onderwerp, thema, of accent waarop de instelling zich profileert. De reviewcommissie tracht in één of meerdere trails na te gaan of het desbetreffende beleid effectief wordt uitgevoerd over de breedte van de hele instelling. Dit betekent niet dat de reviewcommissie de hele breedte van de instelling in de HRT betrekt. De reviewcommissie zal onderdelen selecteren (bijvoorbeeld faculteit(en)/departement(en)) en daar de uitvoering van het desbetreffende beleid nagaan.
    2. De verticale review trail (VRT) focust op de werkelijke uitvoering van elementen uit de eerste standaard (visie en beleid: onderwijsbeleid, kwaliteitszorg, kwaliteitscultuur) en betreffen dus de uitrol van het gekozen model. De reviewcommissie tracht hier na te gaan of aan de hand van deze elementen blijkt of het model gedragen is ("in het DNA zit") en of er top-down en bottom-up voldaan wordt aan de standaarden uit het Kader Instellingsreview. Dit betekent dat de reviewcommissie onderdelen van de instelling in de VRT betrekt. De reviewcommissie zal twee of meer opleidingen selecteren en daar nagaan in hoeverre elementen van de in de eerste standaard genoemde visie en beleid daadwerkelijk uitgevoerd wordt. De reviewcommissie zal daartoe alle standaarden van het kader successievelijk behandelen.
    3. De derde review trail (3RT) focust op de regie van de borging van de kwaliteit van de opleidingen. De reviewcommissie zal vanuit de door de instelling ontwikkelde visie op de regie in de door de instelling vormgegeven pilot(s) de verwezenlijkingen van de instelling bekijken. De reviewcommissie zal dan trachten na te gaan welke mogelijkheden de ontwikkelde visie de instelling geeft en hoe deze mogelijkheden geoptimaliseerd kunnen worden vanuit de ervaringen in de pilot(s). Er zal zeker aandacht geschonken worden aan de betrokkenheid van de stakeholders en de peers (welke? manier waarop?), de resultaten en uitkomsten (bijvoorbeeld link stakeholders? bijdrage kwaliteitscultuur?) en de publieke toegankelijkheid van informatie over de kwaliteit van de opleiding.

    De horizontale en verticale review trails zijn gebaseerd op de elementen die de instelling zelf aanreikt in de kritische reflectie en tijdens het bestuurlijk overleg. In die zin kan elke instelling hier sturend in zijn. Het is echter wel de autonomie van de reviewcommissie om de uiteindelijke keuze te maken na het eerste locatiebezoek.

    De derde review trail is in feite volledig door de instelling bepaald omdat het hier enkel de regie-pilots betreft. Er is in het Kader Instellingsreview geen verwijzing opgenomen naar de derde review trail, omdat het Kader is opgevat als van toepassing op alle instellingen, dus ook op de instellingen die er voor zouden kiezen om geen regie-pilot(s) te laten beoordelen via een derde review trail. De derde review trail is daarom vormgegeven als aanvullend aan de instellingsreview. Zo zal de instelling ook een aparte rapportering ontvangen over enerzijds de instellingsreview en anderzijds de derde review trail.

    De praktische uitwerking van de review trails zal gebeuren in overleg tussen de instelling en de reviewcommissie. Normaal gezien zal een reviewcommissie ter plaatse gaan maar de manier waarop dit zal gebeuren wordt door de reviewcommissie beslist. De gesprekspartners hangen volledig af van de gekozen review trail. Er kunnen daardoor geen opsommingen van gespreksgroepen gegevens worden. In uitzonderlijke gevallen zal de review-commissie ook pas ter plaatse kunnen vragen om bepaalde personen of functies te zien. De reviewcommissie is dan wel afhankelijk van de personen die op dat moment aanwezig zijn.

  • Hoe kan een instelling best omgaan met niet-werkende elementen in visie en aanpak?

    De instelling draagt zelf de verantwoordelijkheid over de kwaliteit van haar onderwijs. Ze voorziet daarom een kwaliteitszorgsysteem dat continue opvolging van de opleidingskwaliteit toelaat. Indien daarbij aandachtspunten aan het licht komen, is het van belang dat de instelling de gepaste verbeteracties onderneemt en remediëringsvermogen aan de dag legt. Het aantonen van dit remediëringsvermogen laat de commissie toe om een uitspraak te doen over het opvolg- en verbeterbeleid van de instelling. De aanwezigheid van verbeterpunten of niet-werkende elementen in de visie en de aanpak moeten daarom niet verborgen gehouden worden. Het is de manier waarop de instelling met die elementen omgaat die bepalend is voor het oordeel van de commissie.

  • Hoe veel van het verleden en de toekomst mag de kritische reflectie omvatten?

    Het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 wordt door de instelling zelf ingevuld. Het is dus aan de instelling om te bepalen wat belangrijk is om de context van de instelling te begrijpen om de werking van het gekozen model te beoordelen.

    Best wordt er geen aandacht gegeven aan de voorgeschiedenis van de instelling, tenzij die voorgeschiedenis erg pertinent is om realisaties aan te tonen of om aan te tonen hoe het nieuwe beleid is vormgegeven. In dit kader passen ook eventuele toekomstplannen. Er kan wel aandacht worden geschonken aan groeiprocessen om eventuele problemen te benoemen zodat een reviewcommissie niet op verrassingen botst.

  • Hoe verwijzen we naar wijzigingen in de organisatiestructuur en/of nieuwe plannen in de kritische reflectie?

    De commissie moet uitgaan van de context van de instelling. Om de context te begrijpen moet de reviewcommissie er voldoende inzicht in krijgen. Deze elementen komen dus best aan bod in de kritische reflectie als ze er voor zorgen dat er geen gaten vallen in de rapportage of dat de  reviewcommissie een vollediger beeld krijgt van de context. Er wordt in de kritische reflectie dus meer dan een momentopname verwacht.

  • Hoe wordt de objectiviteit van de commissie(leden) gewaarborgd?

    De leden van de commissie vertrekken vanuit de visie en het beleid van de instellingen. De leden vellen dus geen oordeel vanuit hun eigen visie op onderwijs of vanuit hun eigen visie op de kwaliteit van onderwijs. Door de aanpak en de training van de NVAO zullen commissieleden het waardenkader van de instelling hanteren in de context van die instelling.  De NVAO procescoördinator ziet hier ook op toe tijdens de locatiebezoeken.

  • Hoe wordt het accreditatieportret opgebouwd?

    Het accreditatieportret bevat enkel objectieve gegevens uit databanken van de Vlaamse overheid en de NVAO. De NVAO voegt geen subjectieve elementen of analyses toe aan deze gegevens. Het accreditatieportret moet de reviewcommissie helpen zich een (kwaliteitszorg)beeld van de instelling te vormen aan de hand van objectieve data en tien jaar NVAO-accreditaties.

    Het accreditatieportret zal voor het naar de commissie gaat eerst aan de instelling bezorgd worden.

  • Moet een formele aanvraag voor een instellingsreview worden ingediend?

    De vastgestelde kalender voor de instellingsreviews, die in overleg tussen de NVAO en de VLUHR tot stand kwam, geldt als de formele aanvraag van alle instellingen voor hun instellingsreview. Er zijn dus geen individuele aanvragen voor de instellingsreview nodig.

  • Mogen we naast de verplichte bijlagen ook nog vrij bijlagen aan de kritische reflectie toevoegen?

    Liever niet. De kritische reflectie, inclusief bijlagen, moet een handzaam en duidelijk document zijn. Er kunnen altijd links in de documenten verwerkt worden en als het toch echt moet dan kan informatie tijdens het locatiebezoek ter inzage worden aangeboden.

  • Op welke manier komt de reviewcommissie tot een oordeel?

    De waarderende aanpak veronderstelt dat de commissie en de instelling elkaar als partners ervaren in het reviewproces (=dialoog tussen instelling en commissie over de bevindingen). De instellingsreview is een moment van reflectie voor de instelling om stil te staan bij de implementatie van het onderwijsbeleid, de monitoring daarvan en de verbeteracties die daaruit voortvloeien. De commissie vertrekt vanuit de context van de instelling en fungeert als klankbord. Dit leidt ertoe dat de uitkomst van de review in dialoog tot stand komt: de instelling en de commissie gaan in gesprek over de bevindingen en komen gezamenlijk tot een conclusie.

  • Wat is de algemene filosofie van de instellingsreview?

    De instellingsreview hanteert een waarderende aanpak. Het uitgangspunt is hierbij dat de context van de instelling en het door de instelling gekozen model het startpunt is  (en niet de standaarden). Er wordt dan ook niet beoordeeld of het gekozen model goed is, maar wel of het gekozen model werkt. Op die manier waardeert het stelsel de kwaliteitszorginspanningen van de afgelopen decennia en de autonomie die de instellingen op dit vlak hebben opgenomen.

    Vanuit bovenstaande filosofie volgt dat de instellingen zelf het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 interpreteren en verder invullen. Dit kader mag dan ook niet als prescriptief of modellerend geïnterpreteerd worden. (Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een compliance-benadering.)

    De reviewcommissie zal bij het hanteren van het Kader Instellingsreview - Vlaanderen 2015-2017 de instelling en het gekozen model vanuit de positie van het instellingsbestuur bekijken. Vanuit dit perspectief beoordeelt de commissie of het door de instelling gekozen model werkt.

  • Wat is het doel van het bestuurlijk overleg?

    Vanuit de NVAO nemen enkel de portefeuillehouder (een bestuurder van de NVAO) en de procescoördinator deel aan het bestuurlijk overleg. Dit overleg geeft de NVAO de mogelijkheid om de procedure aan te passen aan de noden van de instelling. Indien een instelling bv. focust op ondernemerschap dan kan dat op dit moment worden aangebracht en kan eventueel de samenstelling van de reviewcommissie worden aangepast. Er is geen formele uitkomst van dit overleg. De boodschappen van de instelling worden door de procescoördinator overgebracht aan de  reviewcommissie.

    In het bestuurlijk overleg bespreken de NVAO en de instellingsverantwoordelijken het profiel en de organisatiestructuur van de instelling, de verwachtingen van de instelling met betrekking tot de instellingsreview en de derde review trail, de timing van de procedure, en de samenstelling van de reviewcommissie. De gespreksonderwerpen worden twee weken voor het bestuurlijk overleg samen met het accreditatieportret aan de instelling bezorgd, zodat de instelling het gesprek waar nodig kan voorbereiden. De instelling kan steeds terecht bij de toegewezen procescoördinator voor bijkomende toelichting.  

  • Wat is het vertrekpunt van een kritische reflectie?

    Het vertrekpunt van de kritische reflectie is de visie op onderwijs, waar de visie op kwaliteit een inherent onderdeel van uitmaakt, en het door de instelling gekozen model om die visie waar te maken. Dus onderwijsvisie en -beleid staan centraal en kwaliteit wordt vandaaruit benaderd.

    Er wordt niet gevraagd om de kritische reflectie naar de standaarden te schrijven. De standaarden vormen geen strikte grenzen waarbinnen het verhaal van de instelling moet verteld worden. De kritische reflectie mag verhalend zijn en het gekozen model als geheel presenteren. Het is nuttig de (kritische) succesfactoren te behandelen en groeiprocessen een plaats te geven. Daarbij is het vooral belangrijk dat de gemaakte keuzes gemotiveerd kunnen worden. Ten slotte kan de instelling zelf de toekomstige stappen en mogelijkheden ten aanzien van het gekozen model (onderwijsbeleid, kwaliteitszorg, kwaliteitscultuur) verwoorden.

  • Wat moet er in de regie-rapportage?

    De regie-rapportage beschrijft ten eerste hoe de instelling kwaliteit definieert en de visie van de instelling op de regie van de kwaliteitsborging van de opleidingen. Het gaat hier om een integrale visie en het is dus niet de bedoeling dat die visie al helemaal geïmplementeerd is. Ten tweede beschrijft de regie-rapportage de door de instelling ontwikkelde regie-pilot. Het gaat dan om het aangeven welke elementen van de visie zijn ontwikkeld en waar die ontwikkeling heeft plaatsgevonden (bv. opleidingen, departement, faculteit, enz.). Er is geen omvang van de regie-rapportage vastgelegd. Er wordt wel gevraagd om de regierapportage niet te omvangrijk te maken en te mikken op een tiental pagina's.

    Of de regie-rapportage apart wordt ingediend of wordt geintegreerd in de kritische reflectie is een keuze die een instelling zelf moet maken. Instellingen kunnen kiezen de regie-rapportage te integreren in de kritische reflectie of apart aan te bieden. Voor het gemak van de reviewcommissie en om de beoordeling van de regie-pilot zo veel mogelijk los te zien van de beoordeling in het kader van de instellingsreview wordt wel aangeraden om van de regie-rapportage een apart document te maken.

     

     

  • Welke achtergrondinformatie moet een instelling in de kritische reflectie meegeven?

    De NVAO stelt een informatiepakket over het Vlaamse hoger onderwijs en de decretale context ter beschikking van de reviewcommissies. Dit informatiepakket zal in november 2015 voor feedback naar VLIR en VLHORA worden gezonden.

    De instelling neemt dus best enkel heel belangrijke en specifieke achtergrondinformatie op (hogeronderwijslandschap, regelgeving, financiering, et cetera) . De instelling bepaalt natuurlijk zelf welke informatie belangrijk is om een commissie toe te laten te beoordelen of het door de instelling gekozen model werkt. Hierbij kan bijvoorbeeld de context van de instelling, zoals bijvoorbeeld recente fusies en reorganisaties, belangrijk zijn.

  • Worden de gezamenlijke opleidingen buiten beschouwing gelaten tijdens de instellingsreview?

    Neen, alle opleidingen die (deels) aan een bepaalde instelling aangeboden worden, vallen onder de verantwoordelijkheid van die instelling. Ook ten aanzien van gezamenlijke opleidingen (zoals Erasmus Mundus masteropleidingen en interuniversitaire opleidingen) implementeert een instelling een beleid om op effectieve wijze de kwaliteit van de aangeboden opleidingen te bewaken. Hierbij wordt tevens de rol van de partners duidelijk.

  • Worden de kwaliteitskenmerken apart beoordeeld?

    Nee, de kwaliteitskenmerken worden als geheel bekeken en vormen vooral een leidraad voor de instellingen zelf om hun regie-pilots vorm te geven.

    Uit de voorbereiding van het stelsel en uit de bespreking in het Vlaams Parlement blijkt dat het kwaliteitskenmerk "Informatie over de kwaliteit van de opleiding is publiek toegankelijk" een belangrijke rol zal spelen in de evaluatie van de instellingsreview en de regie-pilots. Transparantie is namelijk erg belangrijk voor het stelsel; als die transparantie verdwijnt, ondermijnt dit mogelijk een positieve evaluatie van het stelsel. De uitkomsten kunnen dus wegen op de voorbereiding van het nieuwe kwaliteitszorgstelsel vanaf 2020. De NVAO beveelt dan ook aan hier specifieke aandacht aan te besteden in de regie-rapportage (bijvoorbeeld over welke informatie gaat het?) en dit element ook te laten beoordelen door de interne en externe stakeholders.

  • Wordt hetzelfde panel gebruikt bij alle universiteiten/hogescholen?

    De NVAO zal trachten om zoveel mogelijk dezelfde commissieleden in te zetten. Gezien de timing voorgesteld door de instellingen zullen er bijvoorbeeld zes locatiebezoeken zijn in eenzelfde maand. Daardoor is het sowieso geen goede zaak dat dezelfde commissieleden verschillende instellingen tegelijkertijd beoordelen. We zouden op enorme planningsproblemen stuiten en de commissieleden zouden veel moeite kunnen hebben om de informatie van de verschillende instellingen van elkaar te kunnen onderscheiden.

Kwaliteitszorgstelsel Nederland

  • Geldt accreditatie voor voltijd, deeltijd en duaal?

    Een Nederlandse opleiding kan in verschillende varianten worden aangeboden: voltijd, deeltijd en duaal (WHW, artikel 7.7). De verschillende varianten gelden als één opleiding: er is dus één accreditatiebesluit. Een opleiding kan alleen worden geaccrediteerd als de verschillende varianten ten minste voldoende zijn. Een negatief beoordeelde variant houdt dus de gehele accreditatie tegen.

    Deeltijdse opleidingen zijn specifiek gericht op studenten met werk(ervaring), die niet op de gangbare uren het voltijdse programma kunnen volgen. Bij de duale opleiding wordt een overeenkomst gesloten tussen instelling, student en werkgever, waarin diverse afspraken zijn vastgelegd, onder andere over de wijze waarop een deel van de opleiding op de werkplek wordt gerealiseerd (WHW, artikel 7.7, leden 2 tot en met 5).

  • Geldt een buitenlandse accreditatie ook voor Nederland?

    Nee, alleen voor Vlaamse hogeronderwijsopleidingen heeft de NVAO de bevoegdheid om internationale accreditaties als equivalent te erkennen. De NVAO sluit wel met andere internationale accreditatieorganisaties overeenkomsten om elkaars accreditatiebesluiten over te nemen of om accreditatieprocedures tegelijk te laten verlopen en hierdoor de lasten te verminderen.

  • Is het werken met twee assessoren verplicht?

    Het werken met twee assessoren (het vierogen principe) wordt steeds meer gemeengoed in geval van assessments (bijvoorbeeld criteriumgerichte interviews of gedrag assessments). Het inzetten van twee assessoren komt de zorgvuldigheid van de beoordeling ten goede. De beoordeling is daarmee niet objectief, maar op zijn minst intersubjectief; de assessoren stemmen af (kalibreren) over het oordeel en dat verhoogt de kwaliteit van het oordeel.

    Er rust geen verplichting op het inzetten van twee assessoren, maar bij het aantonen van een kwaliteitsvolle toetsing kiest een opleiding hier vaak voor. Als een opleiding volstaat met één assessor, geeft de opleiding aan waarom de toetsing met één assessor voldoende is geborgd.

  • Mag een instelling een opleiding overdragen aan een andere instelling?

    Een instelling die een geaccrediteerde opleiding aanbiedt, kan deze overdragen aan een andere erkende instelling (rechtspersoon voor hoger onderwijs). De overdracht is geregeld in de Beleidsregel bevoegdheid graadverlening hoger onderwijs (artikel 3, lid 4). In die procedure heeft de NVAO geen rol.

  • Wanneer is de NVAO terughoudend met aanvullende acties?

    De NVAO bekijkt ieder visitatierapport kritisch en rekent erop dat de argumentatie in het rapport navolgbaar is. Wanneer dat het geval is, behoeft de NVAO geen aanvullende acties te ondernemen (vragen stellen, uitnodigen voor een gesprek, nadere informatie opvragen e.d.).

    De NVAO beoogt de kwaliteit van het rapport te versterken door duidelijke voorwaarden te schetsen, helder te zijn over de eisen en door training te geven aan secretarissen. Tijdens deze contacten kan de NVAO in algemene zin informatie geven over haar bevindingen tijdens het besluitvormingsproces. Zo ontstaat een continue verbeterpatroon

  • Wat betekent 'uitgaan van vertrouwen'?

    De NVAO gaat uit van vertrouwen en maakt onafhankelijk van de instelling dezelfde afwegingen in de behandeling op individueel opleidingsniveau. Van groeiend of afnemend vertrouwen is geen sprake. De NVAO behandelt de instellingen niet anders. Elke opleiding wordt, vanuit vertrouwen, individueel getoetst. Daarbij evalueert de NVAO enerzijds de kwaliteit van het rapport en het proces en anderzijds de navolgbaarheid van de onderbouwing van de basiskwaliteit.

  • Wat is het verschil tussen een getuigschrift en een diploma?

    In het voortgezet onderwijs krijgt u een diploma of een getuigschrift. In het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) krijgt u een diploma. In het hoger onderwijs (hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs) ontvangt u een getuigschrift en een supplement op het getuigschrift.  Meer informatie

  • Wat verstaat de NVAO onder consistentie?

    Voor de NVAO betekent consistentie dat in gelijke gevallen gelijk wordt gehandeld. Consistentie in de oordelen is de verantwoordelijkheid van de panels en de NVAO. De NVAO probeert de consistentie te versterken door onder meer trainingen aan te bieden, goed te informeren en streng toe te zien op de deskundigheidseisen voor panels.  

    Door te werken met visitatiegroepen zien de panels meerdere soortgelijke opleidingen. Dat komt het referentiekader van panels ten goede. De panels kunnen zo op een vergelijkende manier oordelen. De NVAO vertrouwt op de inhoudelijke deskundigheid van de peers wanneer zij de oordeelsvorming van de panels ontvangt. Indien de argumentatie in het rapport niet navolgbaar is, zal de NVAO nadere vragen stellen.

Kwaliteitszorgstelsel Vlaanderen

  • Geldt een buitenlandse accreditatie ook voor Vlaanderen?

    Ja, voor Vlaamse hogeronderwijsopleidingen heeft de NVAO de bevoegdheid om internationale accreditaties als equivalent te erkennen. De NVAO sluit daarnaast met andere internationale accreditatieorganisaties overeenkomsten om elkaars accreditatiebesluiten over te nemen of om accreditatieprocedures tegelijk te laten verlopen en hierdoor de lasten te verminderen.

Titulatuur Nederland

  • Krijgt het hbo nieuwe titels?

    Tot 2013 werden de toevoegingen ‘of Arts’ en ‘of Science’ uitsluitend toegelaten bij wetenschappelijke opleidingen. Sinds 1 januari 2014 (Wet kwaliteit in verscheidenheid)  hebben bepaalde hbo-opleidingen de mogelijkheid om met het oog op internationale herkenbaarheid de toevoegingen ‘of Arts’ en ‘of Science’ te gebruiken. De invoering hiervan gebeurt geleidelijk en niet met terugwerkende kracht. 

  • Mag ik meer titels gebruiken?

    U kunt in Nederland meer titels gebruiken, wanneer dit verschillende titels zijn voor verschillende opleidingen. Voer hierbij of de Nederlandse of de internationale titel(s) en niet een combinatie daarvan. Voor de internationale geldigheid van uw diploma maakt het niet uit of u de Nederlandse of internationale titel voert. 

  • Zijn de titels beschermd?

    In de wet is vastgelegd welke graad (titel) en welke toevoeging aan de graad zijn verbonden aan het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van een opleiding (WHW, artikel 7.10a).

    Het onbevoegd afgeven van bachelor- en mastergraden en doctoraten door instellingen en het onbevoegd voeren van wettelijk beschermde graden of titels door personen is strafbaar (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek WHW, artikelen 15.5 en 15.6; Wetboek van Strafrecht, artikel 435 onder 3o). Daarnaast is de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs aangenomen om misleiding van studenten en werkgevers tegen te gaan.

Titulatuur Vlaanderen

  • Mag ik meer titels gebruiken?

    In Vlaanderen zijn de diploma’s en titels decretaal vastgelegd. Alleen diegene aan wie overeenkomstig het structuurdecreet de graad van bachelor, master of doctor (doctor of philosophy met afkorting PhD of dr) is verleend, mag de overeenkomstige titel voeren (bachelor, master of doctor met of zonder nadere specificatie). De titels bachelor, master en doctor zijn beschermd.