De NVAO maakt gebruik van cookies, onder andere om de website te analyseren en het gebruiksgemak te vergroten. Door op 'Cookies toestaan' te klikken, geeft u toestemming voor het gebruik van cookies.

Cookies niet toestaan Cookies toestaan

Buitenlandse locaties (WHW 1.19)

De wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met een verbeterde regeling voor het gezamenlijk verzorgen van hoger onderwijs door Nederlandse en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs (WHW, artikel 1.19) bepaalt dat een Nederlandse hogeronderwijsinstelling opleidingen in het buitenland kan verzorgen (transnationaal onderwijs). Het wetsartikel wordt vervangen door twee nieuwe artikelen waarvan het artikel over opleidingen in het buitenland als volgt zal gaan luiden:

Artikel 1.19. Opleidingen in het buitenland

  1. Een instelling voor hoger onderwijs kan opleidingen in het buitenland verzorgen.
  2. Voor een opleiding die in het buitenland wordt verzorgd, bestaat geen aanspraak op bekostiging.
  3. Op het verzorgen van een opleiding in het buitenland is van toepassing hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van het verzorgen van een opleiding door een rechtspersoon voor hoger onderwijs. Daarbij wordt voor de bekostigde instellingen als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, afgeweken van de artikelen 1.9, derde lid, 2.1, 4.1, 6.1, 7.1, 8.1, 9.1, 9.29 en 10.1.
  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden vastgesteld voor het verzorgen van opleidingen in het buitenland. Daarin worden in ieder geval voorschriften vastgesteld met betrekking tot de aanwending van de rijksbijdrage voor die opleidingen.
  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en van de profilering van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland worden bepaald dat voor het verzorgen van een opleiding in het buitenland, toestemming van Onze Minister is vereist. In dat geval worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in ieder geval de gronden voor weigering en voor intrekking van die toestemming vastgesteld.
  6. Toestemming als bedoeld in het vijfde lid kan onder voorwaarden worden verleend.
  7. Aan de toestemming, bedoeld in het vijfde lid, kunnen voorschriften worden verbonden.

De inwerkingtreding van de wijziging van de wet vindt plaats via een Algemene maatregel van bestuur (AMvB), naar verwachting na de verkiezingen in maart 2017. In die AMvB worden voorwaarden gesteld voor de borging van de kwaliteit en een goede scheiding van publieke en private middelen. De regering wil tevens in de AMvB regelen dat een opleiding die volledig in het buitenland wordt verzorgd een nevenvestiging is van een opleiding die al in Nederland wordt aangeboden. Voor een nevenvestiging is geen afzonderlijke accreditatie nodig. Wel zal als extra waarborg in de AMvB worden verlangd - in het kader van de toestemming - dat de accreditatie van de desbetreffende opleiding onvoorwaardelijk is en dat er geen sprake is van een hersteltraject.

2016

In juli 2016 stuurde minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar reactie op de SURF-verkenning Opschaling van Open en Online Onderwijs (zie download onderaan pagina 'Brief OCW aan SURF Rechtmatigheid online opleidingen'). In de brief wordt aangegeven dat het verzorgen van volledig online verzorgde opleidingen vanuit de Nederlandse vestigingsplaats is toegestaan, ook als de instroom buitenlandse studenten betreft. De 25%-regel is hier niet van toepassing. 

In juni 2012 stuurde staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de instellingen in het hoger onderwijs een nadere toelichting op het beleid ten aanzien van mogelijke onderwijsactiviteiten in het buitenland (zie download 'Brief OCW NL HO in het buitenland' onderaan pagina):

  • instellingen kunnen joint degrees ontwikkelen (en deze laten accrediteren);
  • om voor een Nederlands diploma in aanmerking te komen, moeten studenten die onderwijs op een buitenlandse nevenvestiging volgen, (minstens) een kwart van de opleiding in Nederland volgen (25%-regel). Hieronder zijn ook begrepen onderdelen van het curriculum die (mede) worden vormgegeven door andere instellingen;
  • de NVAO kan buitenlandse locaties van Nederlandse hogeronderwijsinstellingen beoordelen wanneer de staatssecretaris hiervoor toestemming geeft;
  • de NVAO kan geen opleidingen accrediteren die in het geheel worden verzorgd aan buitenlandse locaties van Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. 

Meer informatie

NVAO contactpersoon: Lineke van Bruggen, beleidsmedewerker Afdeling Nederland