De NVAO maakt gebruik van cookies, onder andere om de website te analyseren en het gebruiksgemak te vergroten. Door op 'Cookies toestaan' te klikken, geeft u toestemming voor het gebruik van cookies.

Cookies niet toestaan Cookies toestaan

Vier jaar nieuw accreditatiestelsel hoger onderwijs in Nederland

Het Nederlandse hoger onderwijs blijkt geen monotoon landschap, er is een grote differentiatie zichtbaar: er zijn grote en kleine, algemene en gespecialiseerde, bekostigde en niet bekostigde hogescholen en universiteiten met een diversiteit aan opleidingen. Het accreditatiestelsel lijkt die verschillen te kunnen ondersteunen en ook kwaliteitsverschillen zichtbaar te maken door opleidingen als “onvoldoende”, “voldoende”, “goed” of “excellent” aan te merken, herstelperiodes toe te kennen of voorwaarden op te leggen. De instellingen nemen hun eigen verantwoordelijkheid door onvolkomen aanvragen voor beoordeling in te trekken.

Dit blijkt uit de analyse "Vier jaar nieuw accreditatiestelsel hoger onderwijs in Nederland in cijfers" van de NVAO over de resultaten van het huidige accreditatiestelsel na de start van de cyclus in 2011 (zie blok gerelateerd).

Uit de analyse blijkt tevens dat de eindoordelen bij de opleidingen een consistent beeld opleveren. Er zijn geen duidelijke verschillen tussen het hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo), en eventuele verschillen tussen de vakgebieden (of sectoren/domeinen, zoals economie of geneeskunde) kunnen goed worden verklaard.

Een kleine 80 procent van de opleidingen scoort het eindoordeel “voldoende”; 12 - 13 procent is “goed” of “excellent” en 7 procent van de opleidingen moet zich verbeteren in een herstelperiode. De opleidingen die het eindoordeel “excellent” behalen, hebben vrijwel allemaal de mogelijkheid om studenten te selecteren.

De toets nieuwe opleiding vormt een kritische drempel voor nieuwe opleidingen om toe te treden tot het hoger onderwijs: slechts 53 procent van de ingediende aanvragen wordt in één keer positief beoordeeld. Toch wordt deze toets bij alle categorieën instellingen vaak betrekkelijk lichtvaardig aangevraagd.

De NVAO heeft in de onderzochte periode voor 34 instellingen een besluit genomen over de instellingstoets kwaliteitszorg. Deze instellingen verzorgen 81 procent van het totaal aantal opleidingen in Nederland. In het wo namen alle grote instellingen aan de instellingstoets deel en 67 procent daarvan heeft de toets in één keer succesvol afgerond. Van de deelnemende hbo-instellingen heeft bijna driekwart (74 procent) de instellingstoets direct gehaald.

Instellingen met een positieve instellingstoets nemen nog de helft van de herstelperiodes voor hun rekening. De NVAO kan op grond van haar analyse op dit moment dan ook nog niet concluderen dat instellingen die met goed gevolg een instellingstoets hebben doorlopen, minder vaak opleidingen die als “onvoldoende” zijn beoordeeld, ter accreditatie voorleggen. Ook bij de instellingen die over een positief besluit voor de instellingstoets beschikken, moet de interne kwaliteitszorg zich nog verder ontwikkelen.

Wat betreft de “bijzondere kenmerken” blijkt uit de analyse dat ruim 80 procent van de sinds 2011 toegekende bijzondere kenmerken wordt ondersteund door regel- of wetgeving, zoals “internationalisering”, “kleinschalig en intensief onderwijs”, “duurzaamheid” en “ondernemen”. Bijzondere kenmerken krijgen steeds minder een individueel karakter.

Tot slot blijkt uit de analyse dat niet bekostigde instellingen minder gunstige resultaten bij de opleidingsbeoordelingen behalen dan de bekostigde instellingen.

De analyse is gebaseerd op de (openbare) gegevens voor Nederland tot en met 31 december 2014 waarover de NVAO als accreditatieorganisatie beschikt, aangevuld met een aantal gegevens uit andere openbare bestanden. De rapportage betreft alle (her)accreditaties, toetsen nieuwe opleiding en instellingstoetsen kwaliteitszorg. Besluiten onder het regime van het “oude stelsel” zijn buiten beschouwing gelaten.

De NVAO maakt de analyse beschikbaar, omdat na vier jaar inzicht kan worden verstrekt in de werking van verschillende aspecten van het stelsel. Dat sluit aan op het breed gedeelde uitgangspunt in de samenleving dat in het kader van het publiek belang gegevens over de werking van belangrijke sectoren in de samenleving transparant en beschikbaar moeten zijn. De gegevens bieden ook nadere informatie en onderbouwing voor de gesprekken over de toekomstige ontwikkeling van het accreditatiestelsel in Nederland.