NVAO
Wat doet de NVAO? Wetgeving Nederland Vlaanderen Internationale samenwerking Overname Inspectietaken Nederland Hogeronderwijsregister Vlaanderen Organisatie Vacatures Links ContactDownloads bij deze pagina
Bekrachtigingswet NL verdrag Terminologie hoger onderwijs Nederland Verdrag whwNederland
Uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) van 8 oktober 1992, houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek:
Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs
Artikel 5a.1 Reikwijdte
1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 zijn aangewezen.
2. Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die een opleiding als bedoeld in artikel 7.3b verzorgen. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder instellingsbestuur mede begrepen het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in de eerste volzin.
Titel 1. Accreditatieorgaan
Artikel 5a.2 Instelling en taken accreditatieorgaan
1. Er is een accreditatieorgaan hoger onderwijs.
2. Het accreditatieorgaan is belast met activiteiten in het kader van het accrediteren van opleidingen in het hoger onderwijs en het afnemen van de toets nieuwe opleiding in het hoger onderwijs.
3. Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak de accreditatiekaders en toetsingskaders te bespreken met de Europese landen, in het bijzonder met de grenslanden.
4. Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met de voorbereiding van een stelsel van bacheloropleidingen en masteropleidingen in Nederland of het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs.
Artikel 5a.3 Samenstelling accreditatieorgaan
1. Het accreditatieorgaan heeft ten hoogste veertien leden waaronder een voorzitter.
2. Onze minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van het accreditatieorgaan, gehoord de gezamenlijke instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, evenals de vertegenwoordigers namens de beroepsgroep. Twee leden worden benoemd, gehoord de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3. De leden van het accreditatieorgaan zijn deskundig op het gebied van het hoger onderwijs, de beroepspraktijk van het hoger onderwijs of de kwaliteitszorg. De benoeming van de leden van het accreditatieorgaan geschiedt voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Bij de benoeming van de leden van het accreditatieorgaan bepaalt Onze minister wie de voorzitter is. In het accreditatieorgaan worden geen aan Onze minister ondergeschikte ambtenaren benoemd.
3. Schorsing en ontslag vinden slechts plaats wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie dan wel wegens andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen. Ontslag vindt voorts plaats op eigen verzoek.
4. Een lid van het accreditatieorgaan vervult geen andere functies die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
5. In het bestuursreglement worden regels vastgesteld omtrent:
a. het aanvaarden van een nevenfunctie anders dan uit hoofde van het lidmaatschap van het accreditatieorgaan, en
b. de wijze van openbaarmaking van nevenfuncties.
6. De inspectie wordt in de gelegenheid gesteld de vergaderingen van het accreditatieorgaan als waarnemer bij te wonen.
Artikel 5a.4 Bezoldiging of schadeloosstelling
1. Aan het lidmaatschap van het accreditatieorgaan is een bezoldiging dan wel een schadeloosstelling verbonden.
2. Onze minister stelt de bezoldiging of de schadeloosstelling vast.
Artikel 5a.5 Bestuursreglement
Het accreditatieorgaan stelt een bestuursreglement vast. Het bestuursreglement en elke wijziging daarvan behoeven de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 5a.6 Begroting
1. Het accreditatieorgaan zendt jaarlijks voor 1 april aan Onze minister de ontwerpbegroting voor het daaropvolgende jaar.
2. Indien gedurende een kalenderjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet het accreditatieorgaan daarvan onverwijld mededeling aan Onze minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
Artikel 5a.7 Jaarverslag
1. Het accreditatieorgaan stelt jaarlijks voor 1 juli een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar.
2. Het verslag wordt aan Onze minister gezonden.
Titel 2. Accreditatie en toets nieuwe opleiding
Artikel 5a.8 Accreditatiekaders en toetsingskaders
1. Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de accreditatie van opleidingen vast in afzonderlijke accreditatiekaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen. In de accreditatiekaders wordt tevens bepaald welke gegevens het instellingsbestuur meezendt bij een verzoek om accreditatie, waartoe in elk geval behoort de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur zal worden verleend.
2. Bij het verlenen van accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit, die betrekking hebben op het niveau van de opleiding, de onderwijsinhoud, het onderwijsproces, de opbrengsten van het onderwijs van de opleiding, voldoende voorzieningen die noodzakelijk zijn om de opleiding te kunnen verzorgen, een adequate methode die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, wordt gehanteerd.
3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt begrepen onder:
a. het niveau van de opleiding: dit is gericht op het eindniveau van de opleiding gelet op hetgeen gewenst en gangbaar is, bij voorkeur gemeten naar internationale standaard;
b. de onderwijsinhoud: deze omvat in ieder geval de aard van het onderwijs, voldoende samenhang in het opleidingsprogramma van de opleiding, de studielast en een duidelijke relatie tussen de doelstellingen en de inhoud van het opleidingsprogramma;
c. het onderwijsproces: dit omvat in ieder geval een voldoende afstemming tussen vormgeving van het onderwijs en de inhoud, voldoende studiebegeleiding en inzichtelijke beoordeling en toetsing van het onderwijs;
d. de opbrengsten van het onderwijs: deze omvatten in ieder geval voldoende maatschappelijke relevantie van de bereikte eindkwalificaties van afgestudeerden van de opleiding en voldoende rendement van de opleiding in relatie tot de beargumenteerde streefcijfers;
e. de voorzieningen: deze omvatten in ieder geval de materiële voorzieningen, de kwaliteit van het personeel, de organisatie en de interne kwaliteitszorg;
f. de methoden die bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, worden gehanteerd: deze hebben in ieder geval betrekking op de mogelijkheid de opleiding te vergelijken met andere opleidingen en op een internationaal beoordelingskader.
4. Alvorens een accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
5. Een accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
6. De accreditatiekaders worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
7. Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor de toets nieuwe opleiding vast in afzonderlijke toetsingskaders voor opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs en opleidingen in het hoger beroepsonderwijs. Het eerste tot en met zesde lid, met uitzondering van het derde lid, onderdeel f, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5a.8a Bekendmaking beoordelende instanties
Het accreditatieorgaan maakt jaarlijks aan de instellingen bekend welke instanties met behulp van onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 1.18, derde lid, eerste volzin, opleidingen beoordelen op de wijze, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, vierde volzin.
Artikel 5a.9 Accreditatie opleiding
1. Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.
2. Een aanvraag om accreditatie wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het vorige accreditatiebesluit of van het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, bij het accreditatieorgaan ingediend.
3. Het accreditatiebesluit wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.
4. Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om accreditatie een besluit. Het accreditatiebesluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige accreditatiebesluit vervalt of, indien een opleiding voor de eerste maal wordt geaccrediteerd, met ingang van de dag van bekendmaking van het accreditatiebesluit.
5. Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zesde lid, is de vervaldatum van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het zevende lid, onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist.
6. De accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het accreditatiebesluit.
7. Indien een instellingsbestuur binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zesde lid, de vervaldatum van de accreditatie verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist indien:
a. het accreditatieorgaan de termijn, bedoeld in het vierde lid, heeft overschreden, of
b. op de vervaldatum nog niet onherroepelijk op de aanvraag om accreditatie is beslist.
8. De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie overeenkomstig een door hem vast te stellen tarief.
Artikel 5a.10 Accreditatierapport
1. Het accreditatieorgaan legt de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid, en het besluit over de accreditatie van de opleiding vast in een accreditatierapport. Het accreditatieorgaan kan in het accreditatierapport overige opmerkingen opnemen over de bijzondere kwaliteitskenmerken van de opleiding.
2. Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
3. Het accreditatieorgaan zendt het accreditatierapport na vaststelling onverwijld aan het instellingsbestuur en maakt het rapport tegelijkertijd openbaar.
4. Het accreditatieorgaan verstrekt een afschrift van het accreditatierapport op verzoek. Het accreditatieorgaan vraagt een vergoeding van de kosten voor de afgifte van een afschrift van het accreditatierapport overeenkomstig een door hem vast te stellen tarief.
Artikel 5a.11 Toets nieuwe opleiding
1. Een opleiding die niet is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, kan een toets nieuwe opleiding ondergaan. Indien deze toets positief is, kan het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding laten registreren in dat register. In afwijking van de tweede volzin kan het instellingsbestuur een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs eerst laten registreren, indien ten aanzien van die opleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.3a, tweede lid, onder b.
2. De toets nieuwe opleiding vindt plaats op aanvraag van het instellingsbestuur.
3. Bij de toets nieuwe opleiding wordt in ieder geval rekening gehouden met het door het instellingsbestuur verstrekte document waarin ten minste zijn opgenomen:
a. het opleidingsprogramma,
b. het financieel overzicht waarin inzicht wordt verschaft in de uitgaven die voor het tot stand brengen van de opleiding noodzakelijk zijn,
c. een beschrijving van het voor de opleiding benodigde personeel naar omvang en kwalificatie,
d. de aanduiding van de graad die door het instellingsbestuur zal worden verleend.
4. Het accreditatieorgaan besluit dat een toets nieuwe opleiding niet positief is, indien uit de gegevens van de betreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waaraan accreditatie is onthouden.
5. Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit. Het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, vervalt na zes jaar. Het besluit vervalt indien het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding niet binnen zes maanden heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
6. De artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
7. Indien voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd en voor laatstbedoelde opleiding accreditatie is verleend, besluit het accreditatieorgaan dat voor de masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan. Dit besluit is geldig voor de termijn waarop de accreditatie betrekking had.
8. Tenzij Onze minister voor een opleiding anders besluit, is dit artikel niet van toepassing op opleidingen waarvoor de artikelen 7.31, 7.53 of 7.56 zijn toegepast en die worden verzorgd door bekostigde instellingen.
Artikel 5a.12 Gevolgen verlies accreditatie
1. Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. De instelling stelt de redelijke termijn vast gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van studenten voor wie het niet mogelijk is de opleiding aan een andere instelling te voltooien, indien zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen.
2. Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
3. Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een aangewezen instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
4. Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a.1, tweede lid, tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs wordt beëindigd.
5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, eerste lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en waaraan binnen de termijn, genoemd in artikel 5a.9, zesde lid, geen accreditatie is verleend.
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
Artikel 5a.12a Herstelperiode accreditatie
1. In afwijking van artikel 5a.12, eerste tot en met vierde lid, kan een instelling binnen twee weken na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, besluiten er voor zorg te dragen dat voor de opleiding binnen een termijn van twee jaar na die periode accreditatie wordt verkregen. Indien een instelling daartoe besluit, heeft het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde lid, tot gevolg dat er geen studenten voor de eerste maal voor de opleiding worden ingeschreven.
2. Indien binnen de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, geen accreditatie aan de opleiding is verleend, is artikel 5a.12 van overeenkomstige toepassing met ingang van de eerste dag na die twee jaar.
3. Indien binnen de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, accreditatie aan de opleiding is verleend, treedt dat accreditatiebesluit, in afwijking van artikel 5a.9, vierde lid, tweede volzin, in werking met ingang van de dag van bekendmaking van dat besluit.
Titel 3. Overige bepalingen
Artikel 5a.13 Goedkeuring tarieven
De tarieven die het accreditatieorgaan op grond van de artikelen 5a.9, achtste lid, en 5a.10, vierde lid, vaststelt, behoeven de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 5a.14 Inlichtingen
1. Het accreditatieorgaan verstrekt desgevraagd aan Onze minister alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen.
2. Onze minister kan inzage vorderen van alle zakelijke gegevens en bescheiden, indien dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 5a.15 Vernietiging van besluiten
1. Onze minister kan een besluit van het accreditatieorgaan vernietigen, indien dit besluit is genomen in strijd met het recht of het algemeen belang.
2. In afwijking van artikel 5a.12, kan Onze minister bij toepassing van het eerste lid bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, of dat aan de examens een getuigschrift als bedoeld in artikel 7.11, eerste lid, blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
3. Van het vernietigingsbesluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 5a.16 Taakverwaarlozing
1. Indien naar het oordeel van Onze minister het accreditatieorgaan zijn taak ernstig verwaarloost, kan Onze minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet eerder getroffen dan nadat het accreditatieorgaan in de gelegenheid is gesteld om binnen een door Onze minister te stellen termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te voeren.
3. Onze minister stelt de beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Klik hier voor informatie over Vlaanderen.
