Buitenlandse locaties (WHW 1.19)
Om voor een Nederlands diploma in aanmerking te komen, moeten studenten een kwart van de opleiding in Nederland volgen. Staatssecretaris Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap liet dit op 13 maart 2012 weten aan de Tweede Kamer als reactie op het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar de buitenlandse vestigingen van enkele Nederlandse opleidingen bij Stenden hogeschool.
In februari 2012 informeerde staatssecretaris Zijlstra de Kamer dat artikel 1.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) nog niet in werking wordt gesteld. Dit artikel bepaalt dat een hogeronderwijsinstelling geaccrediteerde opleidingen in het buitenland kan verzorgen. Voor de inwerkingtreding van het artikel zijn echter nadere voorschriften nodig bij of krachtens Algemene maatregel van bestuur (AMvB).
Volgens Zijlstra heeft de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland prioriteit en kan de implementatie van de wetgeving op het punt van de nevenvestigingen in het buitenland niet eerder plaatsvinden dan na de behandeling van de Strategische Agenda voor hoger onderwijs en de daaruit voortvloeiende wetgeving.
Het huidige beleid blijft tot die tijd gehandhaafd:
- instellingen kunnen joint degrees ontwikkelen (en deze laten accrediteren);
- om voor een Nederlands diploma in aanmerking te komen, moeten studenten, die onderwijs op een buitenlandse nevenvestiging volgen, (minstens) een kwart van hun opleiding in Nederland volgen;
- de NVAO kan buitenlandse locaties van Nederlandse hogeronderwijsinstellingen beoordelen wanneer de staatssecretaris hiervoor toestemming geeft;
- de NVAO kan geen opleidingen accrediteren die in het geheel worden verzorgd aan buitenlandse locaties van Nederlandse hogeronderwijsinstellingen.






