Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsDownloads bij deze pagina
Speech KD System-Akkreditierung 13 March 2008 BerlinToespraken & Artikelen
Toespraak NVAO-voorzitter Karl Dittrich tijdens bijeenkomst "System-Akkreditierung", 13 maart 2008, Berlijn
Het gesproken woord geldt.
Dames en heren, waarde collega's
Een gelegenheid als deze biedt een goede mogelijkheid eens te reflecteren over het belang van kwaliteitszorg, de positie van de universiteiten in de samenleving en over Europese ontwikkelingen in het Hoger Onderwijs. Elk van deze drie onderwerpen is op zichzelf al voldoende voor een doorwrocht betoog, maar in de mij vandaag toegemeten tijd wil ik een poging doen de drie in onderling verband te bespreken. De lijn van mijn betoog is van een ontwapenende simpelheid: universiteiten zijn tegelijkertijd steunpilaren voor de samenleving èn aanjagers van innovatie; universiteiten zijn voor de toekomst van het Europese continent van onschatbare waarde; daarom moeten zij streven naar de hoogst mogelijke kwaliteit en dat overtuigend aantonen.
Ik realiseer me dat ik hier vandaag spreek als een vertegenwoordiger van een accreditatieorganisatie en dat ik daarom ook kan worden gezien als een controleur, een bureaucraat of nog simpeler als een ambtenaar. Wetenschappers zijn daar niet dol op, om het maar eens zachtjes uit te drukken, maar ik kom niet preken voor eigen parochie. Ik kom om het belang van een kwaliteitscultuur binnen universiteiten te benadrukken, maar hoe die ontwikkeld wordt en vorm krijgt, interesseert mij niet. Wat mij interesseert is dat een instelling zijn autonomie gebruikt om te laten zien dat hij "in control" is over de eigen kwaliteit, dat belangrijk vindt en dat wil laten zien.
Waarde collega's, wie net als ik zo'n 30 jaar geleden zijn academische carrière is begonnen, zal nog wel eens een vergelijking maken tussen de universiteit van toen en die van nu. Hoe groot is dat verschil! Kijk alleen al naar het enorme verschil in de aantallen studenten die toen en nu de universiteit bevolkten. Realiseren we ons bovendien eens hoe de universiteit is gedemocratiseerd en zich in luttele jaren tijd heeft ontplooid van een elite-universiteit tot een massa-universiteit, waar in beginsel alle rangen en standen toegang toe hebben en waar vrijwel iedereen via kinderen, buren, familie, ervaringen mee heeft!
Laten we ook eens stilstaan bij de revolutie in kennis en informatie. Ik leefde en werkte als jong academicus nog in bibliotheken, waar de bibliothecaris heerste en besliste over wat er aan informatie beschikbaar kwam. De huidige generatie jonge academici is eerder bezig met het ontwikkelen van zoekstrategieën om in de baaierd van informatie zijn weg te vinden dan dat zij zich kan concentreren op een dissertatie als levenswerk.
En denk eens aan de internationalisering: hoeveel procent van onze jaargang studenten ging naar het buitenland: 1%? En was een buitenlandse docent niet bijna een bezienswaardigheid? Kijk eens naar vandaag: het wetenschapsbedrijf is per definitie internationaal, sommige disciplines zijn volledig verengelst, en als student moet je eerder toelichten waarom je niet naar het buitenland bent geweest voor stage en studie, dan waarom je dat wel hebt gedaan.
Denk eens even terug aan de relatieve rust waarin wij onderzoek konden doen. Geen verplichting om in de hoogst geciteerde tijdschriften te publiceren in de Engelse taal; geen druk om gemiddeldes van drie à vier artikelen per jaar te publiceren in peer-reviewed tijdschriften; vrijwel geen onderzoeksbeleid en nog nauwelijks de ontwikkeling van die grote onderzoeksbedrijven, waar tientallen of soms honderden onderzoekers samengeklonterd zijn.
En denk tot slot ook nog eens aan de simpelheid van bestuur en organisatie: een handvol ambtenaren was voldoende om een hele faculteit soepel te laten draaien en op een ministerie van onderwijs hielden op zijn hoogst een paar dozijn zeer hoog opgeleide ambtenaren een oogje in het zeil en zorgden ervoor dat het de instellingen en hoogleraren eigenlijk aan niet veel ontbrak. Nu zijn tientallen ambtenaren nodig om het administratieve en organisatorische proces goed te laten verlopen, zowel binnen instellingen en faculteiten, als bij de ministeries.
Door al deze veranderingen, die meestal gevolgen waren van ingrijpende veranderingen in de samenleving, is de huidige universiteit eigenlijk alleen nog maar in naam vergelijkbaar met die van zo'n dertig jaar geleden. Is dat erg? Neen, het is onvermijdelijk. Is het lastig? Nauwelijks, want we bewegen met onze tijd mee. Is de kwaliteit van het werk van universiteiten verbeterd? Nou en of! Wordt dat erkend? Lang niet altijd.
Universiteiten worden vandaag de dag eerder met argwaan bekeken dan met respect. Daar is een aantal redenen voor. De eerst reden is een simpele: het Hoger Onderwijs is duur en wordt eigenlijk steeds duurder. Het moeilijke voor universiteiten is dat zij geen eenvoudige producten maken. Onderwijs en onderzoek zijn nu eenmaal niet altijd in productiecijfers uit te drukken en bovendien heeft elk succes ook een schaduwkant. Niet iedereen immers studeert af, niet elk onderzoek heeft onmiddellijke productieve waarde en bovendien zijn universiteiten en al die intelligente mensen die daar werken en studeren eigenzinnig, lastig en niet gauw tevreden. En dat leidt zelden tot sympathie van de buitenwereld.
Een tweede reden is dat de universiteiten zo zichtbaar zijn geworden dat zij in de volle belangstelling staan van politiek, pers en publiek. Ze staan dat vaak door wetenschappelijke prestaties, maar nog vaker door problemen van allerlei soort. Er zijn verwijten over een te geringe bijdrage aan valorisatie van kennis; er zijn verwijten over een te hoge uitval van studenten of een te lange studieduur; er zijn verwijten van studenten over gebrek aan de kleine kwaliteit, tot uiting komend in gebrekkige roosters, te lange nakijktijden van examens en te weinig PC's; maar er zijn ook verwijten over een gebrek aan geestdrift bij docenten, over te schoolse benaderingen, over ouderwetse werkvormen; en tot slot zijn de eigen medewerkers van de universiteiten vaak niet de geringste criticasters vanwege een gebrek aan materiële voorzieningen, onvoldoende promotiemogelijkheden en vrijwel altijd vanwege de bureaucratie en de ambtelijke regels die hen belemmeren in vrijheid hun werk te doen.
Een derde reden wordt gevormd door de maatschappelijke trend dat alles verantwoord moet worden. Gelukkig wordt steeds vaker begrepen dat professionele organisaties als universiteiten een grote eigen beslissings- en organisatiebevoegdheid nodig hebben om flexibel, innovatief en creatief te kunnen werken, maar die grotere autonomie gaat vrijwel altijd gepaard met een vergroting van het aantal verantwoordingsregels. Uiteindelijk lijken universiteiten wel eens slechter af te zijn met een grotere autonomie, omdat de verantwoordingsregels uiteindelijk beklemmender werken dan de vergrootte autonomie oplevert.
Eigenlijk kunnen we dit laatste fenomeen, de autonomie-paradox, ook prachtig terug zien in de uitwerking van de Bologna-verklaring van 1999. Die verklaring was in feite een oproep om te komen tot een echte Europese Hoger Onderwijsruimte die profijt zou hebben opgeleverd voor studenten, voor docenten en voor de arbeidsmarkt. Vrij verkeer van studenten en docenten, op zoek naar de beste plek voor de ontplooiing van hun talenten: dat klonk en klinkt nog steeds geweldig! Maar het aanstekelijk enthousiasme van onze ministers is in de jaren nadien steeds meer omgezet in nieuwe regels en richtlijnen: eerst de bachelor - masterstructuur, toen het European Credit Point Transfer System, toen de externe kwaliteitszorg, toen een Europees Kwalificatieraamwerk, toen een diplomasupplement, toen een register voor kwaliteitszorgorganisaties, toen .... Ga zo maar door! En als ik zie met welk enthousiasme en lichte verbetenheid de Europese Commissie onder leiding van Barroso bezig is via de lijn van de arbeidsmarkt het Hoger Onderwijs binnen te dringen en aan weer nieuwe toetsen en regels te onderwerpen, heb ik de neiging om daar heel hard "neen" tegen te roepen!
De oorspronkelijke enthousiasmerende werking van Bologna lijkt op zijn minst te verzanden in afspraken, protocollen, verklaringen, registers en richtlijnen. Met alle goede- en op objectieve gronden ook nog begrijpelijke - redenen zijn we ons zelf aan het vastrijden in controles en verantwoordingsvraagstukken.
Zo zie ik bijvoorbeeld ook de programma-accreditatie. Ik kan over de noodzaak en het belang daarvan een gloedvol betoog afsteken. Maar ik zie ook wat het teweeggebracht heeft. Laat ik mijn eigen Nederlands-Vlaamse stelsel als voorbeeld nemen. Nederland en Vlaanderen kennen al vanaf ongeveer 1985 een stelsel van visitaties gebaseerd op peer review. Dat stelsel werkte voor de professionals relatief goed: de kwaliteit van onderwijs werd een topic en ik ben absoluut van mening dat de kwaliteit is gestegen. Dat stelsel werd echter sleets, omdat onze sector, intelligent als hij is, heel goed weet hoe het spel gespeeld moet worden. Om die reden vind ik het vanzelfsprekend dat de regels van externe beoordeling om de paar jaar veranderd moeten worden.
Maar accreditatie is een beoordeling van basiskwaliteit en moet bovendien sancties gebruiken. Het eerste is nauwelijks uitdagend, en het laatste is bedreigend. Het gevolg is dan ook dat risicoloos gedrag is ontstaan dat voorbijschiet aan het doel. De beoordelingspanels werden bedolven onder papieren bewijsmateriaal, de kwaliteitszorgmanagers werden een nieuwe kaste en de noodzakelijke interne kritische reflectie is opzij gezet ten faveure van "bleke rapporten", die oordeelden dat de vereiste basiskwaliteit werd behaald. En dat laatste is waar!
Tegelijkertijd is kwaliteitszorg veel meer een extern dreigement dan een intern kwaliteitsverbeterend instrument geworden. En in professionele organisaties als universiteiten zijn, is dat de dood in de pot! Daarom ook wordt in Nederland en Vlaanderen een tweede ronde van accreditatie voorbereid die méér recht moet doen aan de autonomie van instellingen, die docenten het gevoel moet geven dat ze over de inhoud van hun vak kunnen praten, die meer recht doet aan kwaliteitsverbetering dan aan louter beoordeling en die daarnaast ook nog toegankelijke informatie verschaft aan stakeholders en andere belangstellenden.
Daarover zo dadelijk meer, want eerst wil ik ook naar de praktijk binnen onze universiteiten kijken. De kwaliteit van ons onderwijs is niet slecht, voldoet aan de basiskwaliteit, maar kan op veel punten beter. Ik noem er een aantal. Het staat wat mij betreft buiten kijf dat onze instellingen méér aandacht hebben voor onderzoek dan voor onderwijs. Dat is onder andere een buitengewoon vervelend gevolg van de overdreven aandacht voor rankings, waarin de kwaliteit van onderwijs geen of een buitengewoon ondergeschikte rol speelt. Politici maken dat bovendien nog vaak een graadje erger door hun oproepen om de kwaliteiten van Harvard, Yale, Oxford en Cambridge te evenaren. Wij hebben door deze aandacht voor ranking te weinig oog voor het onderwijs als leverancier van het menselijk kapitaal voor onze samenlevingen. En daarmee doel ik niet alleen op de kenniscomponent, maar zeker ook op de sociale component. Onderwijs is immers ook van belang voor burgerschap, voor maatschappelijke verantwoordelijkheid en voor de sociale cohesie. Juist die functies van het onderwijs lijken onder te sneeuwen! Daarom moeten we ook meer moeite doen om studenten binnen boord te houden. Dat heeft weer te maken met aandacht voor deficiënties, voor het verschil in leerstijlen en ook voor de noodzaak om te differentiëren in kwaliteit. Ik ben persoonlijk buitengewoon gecharmeerd van bijvoorbeeld Nederlandse ontwikkelingen met liberal arts colleges, met honours classes, met researchmasters en met excellente tracks om de diversiteit en de kwaliteitsverschillen binnen de studentenpopulatie te onderkennen en te waarderen.
Maar speelt hetzelfde ook niet voor onze docenten? Is ook daar niet sprake van een te grote uniformiteit in opgelegde lesstijlen, terwijl ook docenten natuurlijk verschillen in onderwijskwaliteit? Besteden we wel genoeg geld en aandacht aan de professionalisering van onze docenten, waarbij ik uiteraard niet doel op het aanleren van bureaucratische en managementvaardigheden, maar op een verdieping in didactiek en eventueel op de actualiteit en de inhoud van de vakken waarvoor zij mede verantwoordelijk zijn?
Zijn wij bovendien bestuurlijk wel voldoende geïnteresseerd in de onderwijsprestaties binnen onze instellingen? En dan gaat het mij niet zozeer om de kwantitatieve resultaten, maar om de kwaliteit van onze afgestudeerden en de wijze waarop zij in de beroepspraktijk functioneren. Weten we wel of onze kwaliteit vergelijkbaar is met die van buitenlandse partners. Weten we zeker dat de arbeidsmarkt onze afgestudeerden waardeert om hun competenties en niet louter om het feit dat zij heel snel al een bijdrage leveren aan het productieproces?
Ik pleit kortom voor het tot stand brengen van een kwaliteitscultuur in het onderwijs, net zoals we dat al gerealiseerd lijken te hebben in het onderzoek. Daar is het weliswaar gemakkelijker, maar ook in het onderwijs kan het. En het is bepaald geen luxe om een interne cultuur te creëren van kritische reflectie waarin niveau en resultaten permanent ter discussie worden gesteld en niet eens in de zes jaar als een visitatiecommissie langskomt! Ik ben er bovendien stellig van overtuigd dat we de studenten aan onze zijde zullen vinden bij deze benadering, en dat hun inzet en enthousiasme in het onderwijs sterk zullen toenemen.
Waarde collega's, zelfs als mijn pleidooi voor meer aandacht voor de kwaliteit van onderwijs u inhoudelijk niet overtuigt, dan zult u er toch aan moeten geloven. Onze samenlevingen - de Duitse net zo goed als de Nederlandse en de Vlaamse - zijn niet meer geneigd ons carte blanche te geven. En terecht ook, want daarvoor zijn we te belangrijk en te duur. Een pleidooi voor grotere autonomie maakt mijns inziens pas indruk als we tegelijkertijd kunnen laten zien dat we onze verantwoordelijkheid nemen en kritisch genoeg zijn op ons eigen functioneren. Daarom zijn discussies over het accrediteren van instellingen in veel landen zo moeilijk.
Zolang studenten in bijvoorbeeld de Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijsstelsels - toch niet de minste binnen Europa - geconfronteerd worden met ongeïnspireerde docenten, met een gebrek aan aandacht voor organisatorische kwaliteit, aan hun lot worden overgelaten onder het mom van "de eigen verantwoordelijkheid van de student voor zijn leerproces", zolang zal het nodig zijn dat extern toezicht en kwaliteitsbeoordeling blijft bestaan. En onze studenten klagen ook nog eens vaak terecht, en niet alleen vanuit negatieve ervaringen maar tegenwoordig steeds meer vanuit een wens om kwaliteit geleverd te krijgen, om méér te leren, méér te weten te komen en méér prestaties te moeten leveren. De huidige generatie studenten zoekt, zo is mijn ervaring, niet langer naar de gemakkelijkste weg, maar naar echte uitdagingen! Het lijkt mij dan ook beter de aandacht te richten op de versterking van de interne kwaliteitscultuur dan een in mijn ogen achterhoedegevecht te voeren tegen het bestaan van externe kwaliteitszorg, in welke vorm en gedaante dan ook!
De organisaties die van overheidswege belast zijn met de externe kwaliteitszorg zouden dan ook in veel landen niet hoeven te veranderen. Zij hebben de wind immers in de rug! En toch doen zij dat gelukkig in veel landen wel. En de richting waarin wordt bewogen is ook nog eens in hoofdlijnen dezelfde. Ik heb u al gezegd dat ik duidelijke nadelen zie in het stelsel van programma- of opleidingsaccreditatie. Het daagt te weinig uit, legt de lat te laag en heeft sterk bureaucratiserende en procedurele tendensen. Daarmee komt de door mij zo nagestreefde kwaliteitscultuur niet veel verder. Ik ben dan ook met enthousiasme betrokken in de ontwikkelingen van een volgende fase in het Nederlands-Vlaamse accreditatiestelsel, gericht op het beoordelen van een kwaliteitscultuur binnen de instellingen zelf. Dat is een ontwikkeling die men in grote delen van Europa ziet plaatsvinden en dat is begrijpelijk. Instellingen horen immers zelf verantwoordelijk te zijn voor het bestaan van voldoende kwaliteit in onderwijs en onderzoek, en door de instellingsbesturen daarop aan te spreken, moeten zij die verantwoordelijkheid aanvaarden en dat vervolgens laten zien! Hoe ze dat doen is minder belangrijk, want dat kan op veel manieren, maar dat ze het doen en dat kunnen laten zien, dat is cruciaal.
In Duitsland kiest u voor een stelsel dat u "System-akkreditierung" noemt, in Vlaanderen en Nederland kiezen we voor een gecombineerd stelsel van instellingsaudits en programmabeoordelingen. De idee erachter is dat de besturen van de instellingen moeten worden aangesproken op de vraag of zij "in control" zijn over de kwaliteit van het onderwijs, hoe zij dat doen, en hoe ze dat kunnen laten zien. Het gaat daarbij om een open benadering: een instelling hoort een kwaliteitszorgstelsel te ontwikkelen dat past bij de omvang en cultuur van die instelling. Daarin moet een externe kwaliteitsorganisatie niet prescriptief zijn. Het is toch vanzelfsprekend dat men daar in die grote mastodontische researchuniversiteiten anders mee omgaat dan in een veel kleinere, hooggespecialiseerde hogeschool! Bovendien willen wij in Vlaanderen en Nederland de instellingen toestaan om zelfs nog binnen de instellingen te differentiëren: ook hier geldt immers dat een kwaliteitscultuur in een faculteit als theologie op een andere wijze kan - en misschien wel moet - worden georganiseerd dan in de vaak duizenden studenten tellende faculteiten economie en recht. Ik preek dus tegelijkertijd over verantwoordelijkheid en differentiatie, over een kwaliteitscultuur die noodzakelijk is, maar die op veel verschillende manieren vorm kan krijgen.
In het nieuwe stelsel in Nederland en Vlaanderen leidt een positieve beoordeling over het kwaliteitszorgstelsel van een instelling tot een regime van "verdiend vertrouwen". Daarmee wordt bedoeld dat de daaropvolgende beoordeling van de programma's op een lichtere wijze zal plaatsvinden. In het regime van verdiend vertrouwen wordt de instelling verantwoordelijk voor de beoordeling van de opleidingen en krijgt zij de mogelijkheid daar zelf panels van "peers" voor samen te stellen. Die panels moeten vervolgens het gesprek aangaan met de opleidingen over de ambities van de opleiding, de wijze waarop die ambities kunnen worden waargemaakt, en vooral over de vraag òf ze worden waargemaakt op een in internationaal perspectief aanvaardbaar niveau van bachelor en master! Het gaat daarbij dus om een confrontatie van "intended learning outcomes" (wat willen we dat onze studenten weten, kennen en kunnen?) met de "achieved learning outcomes" (wat weten, kennen en kunnen onze studenten werkelijk?). Voor mij is het volstrekt logisch dat in dit onderdeel van de externe kwaliteitsbeoordeling vooral de docenten worden aangesproken. Zij zijn immers in eerst instantie verantwoordelijk voor doelstelling, inhoud, kwaliteit en resultaten van het onderwijs. Door en in dit vernieuwde stelsel proberen wij de docenten en de instellingen "eigenaar" te maken van het beoordelingsstelsel en zo de kwaliteitscultuur te bevorderen. Niet elke instelling zal dit kunnen waarmaken en daarom hebben we ook een regime ontwikkeld voor het geval het vertrouwen nog niet verdiend wordt. In een dergelijk geval vallen wij terug op het bestaande stelsel van een zware programmabeoordeling door de NVAO, met alle sancties die daarbij horen.
Waarde collega's, wat mij in veel landen die actief zijn op het terrein van de externe kwaliteitszorg opvalt, is dat men op zoek is naar ontwikkelingen op basis van "vertrouwen". Ik acht dit een uiterst belangrijke ontwikkeling die recht doet aan de betekenis, de kracht en de potentie van onze Hoger Onderwijsinstellingen. Dat zou een buitengewoon belangrijke verandering in attitude kunnen betekenen en zou de relatie tussen de overheid en de Hoger Onderwijsinstellingen een belangrijke nieuwe impuls kunnen geven. Wantrouwen is immers de slechtst mogelijke houding om een werkzame en vruchtbare relatie te kunnen ontwikkelen. Maar in een stelsel, gebaseerd op vertrouwen, moet dat vertrouwen niet alleen verdiend, maar ook waargemaakt worden. Dat betekent: afstappen van het dedain waarmee politici en instellingsbesturen elkaar kunnen bejegenen; dat betekent vrijwillig en transparant verantwoording afleggen over geleverde prestaties; dat betekent dat instellingen en opleidingen een open oor en oog hebben voor het functioneren van hun afgestudeerden in de samenleving en dat goed naar de wensen en opvattingen van die samenleving geluisterd wordt! Het betekent ook dat studenten en docenten serieus genomen worden en dat zij in staat worden gesteld hun ambities na te jagen en te verwerkelijken. En het betekent ook dat een instelling een kritische zelfreflectie ontwikkelt, waarin de noodzaak wordt gevoeld om regelmatig in de spiegel te kijken, waarin gezaghebbende buitenstaanders ons die spiegel voorhouden en waarin geen pogingen worden gedaan om vlekjes en scheuren in die spiegel te verbergen.
Dat zou ons helpen om te komen tot een volwassen en zelfbewuste bedrijfstak van Hoger Onderwijsinstellingen die hun verantwoordelijkheid voor een goede en gezonde ontwikkeling van de samenleving willen en kunnen waarmaken. Daarmee zouden onze samenlevingen ten zeerste gebaat zijn!
Beste collega's, ik rond af. Ik heb u trachten duidelijk te maken dat de Hoger Onderwijsinstellingen in mijn optiek aan zet zijn om de politiek en de buitenwereld ervan te overtuigen dat zij zich ervan bewust zijn dat ze kwaliteit moeten leveren. Daarvoor is het nodig dat binnen de instellingen een echte kwaliteitscultuur wordt ontwikkeld. Dat is een cultuur waarin systematisch èn kritisch naar de eigen prestaties op het gebied van onderwijs (en natuurlijk ook op dat van onderzoek) wordt gekeken. De externe kwaliteitszorgstelsels evolueren in grote lijnen in een richting die het instellingen mogelijk maakt méér verantwoordelijkheid voor de eigen kwaliteit te dragen. Soms heet die richting instellingsaudit, soms kwaliteitsaudit, soms instellingsaccreditatie, en hier in Duitsland "System-akkreditierung": in hoofdlijnen gaat het allemaal om dezelfde richting met dezelfde voorwaarden. Het bestuur van een instelling wordt aangesproken op de wijze waarop de instelling haar eigen kwaliteit garandeert en stimuleert.
Daarmee wordt gepoogd de verantwoordelijkheid voor kwaliteit en kwaliteitszorg binnen de instelling te verankeren, zoals het hoort. Daarmee wordt ook gepoogd de externe dreiging van sancties op onvoldoende kwaliteit om te zetten in stimulansen om te streven naar permanente aandacht voor en verbetering van de kwaliteit. Als dat gebeurt wordt het formele en bureaucratiserende effect van externe kwaliteitsbeoordeling vanzelf minder. De verlammende angst voor sancties wordt dan een creatieve stimulans voor verbetering van kwaliteit. Doen de instellingen dat goed, dan krijgt het vertrouwen in de instellingen een geweldige opsteker. En voor onze samenlevingen is niets beter dan dat!
Is daarmee het laatste woord over externe kwaliteitszorg gezegd? Nee, dat is het niet, want ik blijf ervan overtuigd dat elk nieuw stelsel slechts een vroege aankondiging is van weer verdere veranderingen. Over zes tot acht jaar zitten we weer in een volgende fase en spreken we elkaar opnieuw. De richting voor het vervolg wordt in de komende jaren echter bepaald, voornamelijk door het gedrag van instellingen en het vertouwen dat de buitenwereld daaruit afleidt.
Ik wens u en onszelf veel succes met die uitdaging, een herstel van vertrouwen en een positieve attitude van politiek en samenleving jegens onze belangrijkste bron van menselijk kapitaal, het onderwijs!
Ik dank u voor uw aandacht.
