Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsDownloads bij deze pagina
Presentation Oslo February 2008Toespraken & Artikelen
‘Considerations on Publications: Advantages and Disadvantages of Publications of Accreditation Decisions and Report’, toespraak NVAO-voorzitter Karl Dittrich tijdens ENQA-Conference, 14-15 February 2008, Oslo
1. Inleiding
Onze samenlevingen worden steeds transparanter. Besluiten en beslissingen van overheden en overheidsorganisaties moeten gepubliceerd worden, en moeten gebaseerd zijn op argumentaties en motiveringen. Burgers, organisaties en bedrijven zoeken hun "recht" en nemen begrijpelijkerwijs geen genoegen meer met regenteske, op louter macht gebaseerde beslissingen. En als partijen zelf al niet zoeken naar de redenen en achtergronden van oordelen, dan is er altijd nog de pers, die met een beroep op openbaarheidsregels de waarheid probeert te achterhalen. Bovendien worden organisaties die de belangen van consumenten en burgers behartigen steeds beter geïnformeerd en toegerust om een stevige rol in de openbaarmaking van besluiten en beslissingen te spelen.
De tijd dat besluiten voornamelijk in achterkamertjes konden worden genomen, ligt dus al ver achter ons. En ook de tijd dat die besluiten als eenvoudige mededelingen werden gedaan, zonder inhoudelijke toelichting en verantwoording, zijn tegenwoordig nauwelijks meer denkbaar.
Met deze problematiek en constellatie hebben wij als kwaliteitszorgorganisaties allemaal te maken. Of we nou evalueren, auditen of accrediteren, de noodzaak om beargumenteerde beslissingen te nemen en daarover mededelingen te doen, hebben we allemaal. Eenvoudig is dat echter niet, omdat in beschaafde samenlevingen - terecht - ook een bescherming van de privacy van individuen en organisaties is vastgelegd. Soms moeten we dus worstelen met tegenstrijdige belangen en als de nationale wetgever daar geen duidelijke regels voor gesteld heeft, moeten wij zelf zorgen voor de noodzakelijke transparantie en afweging van belangen. Daarover wil ik het de komende dertig minuten met u hebben. De te behandelen vragen zijn: "Hoe gaan kwaliteitszorgorganisaties om met de openbaarmaking van hun besluiten, welke overwegingen spelen daarbij een rol, en - om aan te sluiten bij het onderwerp van dit seminar - welke effecten kan openbaarmaking van besluiten hebben op de positie en handelswijzen van de beoordelende experts?"
Ik heb daarbij niet de pretentie om volledig te zijn, ik ga ook geen waardeoordelen uitspreken, maar ik ga slechts de complexiteit van deze problematiek proberen te beschrijven. Ik doe dat vanuit het belang van ons werk, de beoordeling en de bevordering van de kwaliteit van het Hoger Onderwijs.
2. De praktijk in Europa
Ik heb de afgelopen weken van zestien organisaties, alle lid van ENQA, geprobeerd om het publicatiebeleid over besluiten over de beoordeling van de kwaliteit van instellingen en/of programma's te achterhalen. Dat is niet meegevallen, omdat mijn kennis van nogal wat talen te kort schoot. Weliswaar heeft vrijwel iedere organisatie een Engelstalige website, maar de inhoud daarvan is meestal veel beperkter dan die van de website in de moedertaal. Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van de questionnaire die NOKUT ten behoeve van dit seminar aan de deelnemers heeft rondgestuurd. Bovendien heb ik mij kunnen baseren op secundaire bronnen, namelijk de bilaterale inhoudelijke vergelijkingen die de leden van het European Consortium for Accreditation de afgelopen maanden en jaren hebben gemaakt en op een aantal publicaties. Desalniettemin kunnen in mijn analyse nog fouten zitten en als dat zo is, komen zij geheel voor mijn rekening! Laat ik bovendien benadrukken dat de organisaties niet allemaal "besluiten" nemen. Het kan ook gaan om evaluaties en dan is de noodzaak van openbaarmaking veel minder evident, zoals we later nog zullen zien. De evaluaties door de EUA en de kwaliteitszorgorganisatie van Baden-Württemberg (evalag) publiceren de evaluaties niet en laten dat over aan de geëvalueerde instellingen zelf.
Als mijn interpretatie en analyse klopt, worden overal besluiten van onze organisaties gepubliceerd, maar wel in verschillende vormen:
- In de meest vergaande vorm worden alle positieve en negatieve besluiten gepubliceerd, inclusief de eronder liggende rapporten van de panels: dit lijkt het geval bij alle Scandinavische organisaties, behalve NOKUT; de Nederlands-Vlaamse NVAO en de organisaties die in dit stelsel de visitaties uitvoeren; de Britse QAA en de organisaties uit Estland en Litouwen;
- Een minder vergaande vorm is die waarin wel alle besluiten worden gepubliceerd, maar zonder de onderliggende panelrapporten: voor zover ik heb kunnen nagaan is dit de praktijk bij de Oostenrijkse ÖAR, de Poolse PKA, bij NOKUT, het Bulgaarse NEAA en de Franse CTI;
- Een nog minder vergaande vorm is die waarin alleen positieve besluiten worden gepubliceerd. In deze categorie is sprake van drie varianten: de besluiten inclusief de panelrapporten (het Spaanse ANECA?), de besluiten met panelrapporten als de aanvrager daarmee instemt (de Oostenrijkse organisaties FHR en AQA, en de Zwitserse OAQ) en samenvattingen van de positieve besluiten en panelrapporten (de Duitse organisaties ACQUIN, AHPGS, AQAS, FIBAA, ASIIN, ZEVA en de Akkreditierungsrat).
Zoals gezegd, is het bepaald waarschijnlijk dat mijn indeling van categorieën niet verfijnd genoeg is en dat mijn interpretatie van wat ik gelezen heb, niet geheel juist is. In de discussie straks hebben we genoeg tijd om daar verder op in te gaan.
3. Achtergronden en toelichting
In de discussie over de wijze van publicaties van oordelen van kwaliteitszorgorganisaties en vooral over de breedte van publicaties, spelen verschillende -soms tegengestelde- argumenten een rol. In deze paragraaf bespreek ik er een aantal, ook hier met enig voorbehoud en zonder de pretentie volledig te zijn.
a. Het belang van transparantie
In een aantal landen is "transparantie" in het handelen van de overheid, of van door de overheid met beslissingsbevoegdheid bekleedde organen, letterlijk in de wet, regelgeving of bestuurlijke gewoonten neergelegd. Met name in de Scandinavische landen, Engeland, België en Nederland weegt de openbaarheid zo zwaar dat alle documenten die een rol hebben gespeeld om tot besluitvorming te komen, automatisch en zonder enige terughoudendheid gepubliceerd moeten worden. Degene die beoordeeld wordt, weet dat ook en kan daar dus rekening mee houden. Uiteraard gelden ook in de landen waar bijna een absolute openbaarheid geldt, regels die de beoordelaar dwingen om "behoorlijk" te handelen (zogenaamde regels van "behoorlijk bestuur") en heeft de beoordeelde allerlei rechten van hoor en wederhoor, bezwaar en beroep, maar uiteindelijk wordt elk oordeel volledig openbaar gemaakt. Deze transparantie is uiteraard in het voordeel van het "publiek", of men dat nou definieert in termen van studenten, arbeidsmarkt, politiek of de samenleving in brede zin.
b. Het belang van verantwoording afleggen
Vanuit het perspectief van overheidsverantwoordelijkheid voor de toegankelijkheid, bekostiging en kwaliteit van het Hoger Onderwijs, mag worden verwacht dat verantwoording wordt afgelegd over de beoordeelde kwaliteit van opleidingen. Daar hebben politieke verantwoordelijken, de arbeidsmarkt, studenten en hun ouders (als pars pro toto voor de gehele samenleving) recht op. Overheidsregelingen over bijvoorbeeld openbaarheid van besluiten worden vaak beargumenteerd vanuit de grote financiële bijdrage die de overheid aan de bekostiging van universiteiten en hogescholen levert. De overheid ontleent aan de bekostiging vrijwel altijd "rechten", die te maken hebben met openbare verantwoording door de Hoger Onderwijsinstellingen. Uiteraard speelt daarin de mate van autonomie van de Hoger Onderwijsinstellingen een rol en daarmee de relatie tussen overheid en de instellingen, maar zelfs in de landen met een "degree awarding power" voor de instellingen, staat de "verantwoordingsplicht" goeddeels buiten de discussie.
Een interessante en bijzondere vorm van verantwoording kan zich voordoen in landen met een extreem open onderwijsbestel, zoals bijvoorbeeld Nederland en Oostenrijk, waar allerlei private opleiders tot de onderwijssector kunnen toetreden. De verhouding tussen deze aanbieders en de overheid komt dan niet zozeer tot uiting in de bekostiging, maar in het toekennen van graden en diploma's, voor welks kwaliteit de overheid garanties wil. In dat opzicht worden deze private aanbieders dan gedwongen om te "gehoorzamen" aan overheidsregels.
c. Het belang van consumentenbescherming en -informatie
Publicatie van besluiten levert een bijdrage aan de informatie van de "consumenten" van het onderwijs en beschermt hen daardoor tegen kwalitatief slechte of zwakke aanbieders. Men kan met deze doelstelling op een actieve of op een passieve manier omgaan. Doet men dat actief, dan worden positieve èn negatieve besluiten gepubliceerd; doet men dit passief, dan moet de consument een mogelijk negatief oordeel over de kwaliteit van een opleiding afleiden uit het ontbreken van een positief oordeel. Dat vergt enige interpretatie, maar als men de betreffende regels in een land goed kent, hoeft dat nauwelijks problemen op te leveren. Het is overigens opvallend dat de vorm waarin de informatie voor "consumenten" beschikbaar wordt gemaakt, nog niet bijster goed ontwikkeld is. In een aantal stelsels wordt de inzet en het doorzettingsvermogen van aanstaande studenten zwaar op de proef gesteld. De door de organisaties publiek gemaakte informatie is zo omvangrijk dat het vinden van de relevante informatie buitengewoon ingewikkeld is! In het ECA-project Qrossroads, bedoeld om één Europese information tool van accreditatiebesluiten te krijgen, is deze problematiek in de volle omvang duidelijk geworden.
d. Het belang van het recht op privacy en bescherming van "gevoelige" informatie
In een aantal rechtsstelsels, voornamelijk diegene die hun grondslag vinden in het Duitse rechtssysteem, wordt veel nadruk gelegd op de bescherming van de belangen van de beoordeelden. De grondslag voor deze benadering kan gevonden worden in een "afkeer" van een te sterke staat en de bescherming van het individu ten opzichte van de staat. Het niet-openbaar maken van negatieve oordelen bijvoorbeeld, wordt gebaseerd op de privacy-wetgeving en op overtreding daarvan staan in de regel zware sancties. Daarenboven moet natuurlijk ook rekening gehouden worden met overwegingen van concurrentie en competitie. Instellingen en opleidingen bevinden zich immers in een situatie waarin geconcurreerd wordt om studenten en docenten. Het is daarom vanuit dit perspectief niet vanzelfsprekend dat alle gegevens en oordelen openbaar gemaakt worden.
e. Het tegengaan van onoordeelkundig gebruik van oordelen
In een aantal stelsels wordt naast bovenstaande argumenten, nog een ander argument gebruikt om de publicatie van rapporten en oordelen te beperken, en dat is het voorkómen van onoordeelkundig gebruik van deze gegevens. Dit argument wordt met name gebruikt om ranking tegen te gaan. In de journalistieke praktijk ziet men met een zekere regelmaat dat de oordelen van panels op een bepaalde manier worden gewaardeerd en opgeteld om tot rankings te komen. Dit wordt om een aantal redenen ongewenst geacht: kwaliteitsoordelen van panels zijn niet per definitie vergelijkbaar vanwege de verschillende samenstellingen van de panels; niet alle onderwerpen die worden beoordeeld, hebben evenveel betekenis voor de kwaliteit van opleidingen; de vaak op verbetering gerichte opmerkingen worden als absolute oordelen opgevat, waardoor een vertekend beeld over de kwaliteit van opleidingen wordt gecreëerd, etc.
f. Het belang van juridische "houdbaarheid"
Indien besloten wordt tot het volledig publiceren van besluiten, motiveringen en oordelen, moet men bedacht zijn op mogelijke debatten en juridische procedures als gevolg van een ongelijke beoordeling, een mogelijk gebrek aan consistentie tussen verschillende oordelen en een uiterst zorgvuldige weging en motivering van oordelen. In sommige stelsels leidt dat tot zeer zware formele vormvereisten voor de besluitvorming die sterk-bureaucratiserende tendensen tot gevolg hebben. Een en ander leidt in de praktijk tot omvangrijke, moeilijk leesbare en relatief verhullende rapporten.
g. Het beschermen van panels en hun leden
Als laatste overweging kan gewezen worden op de praktijk dat in een aantal stelsels weliswaar beslissingen worden gepubliceerd, maar niet de daaronder liggende rapporten van de panels. Dit wordt vooral gedaan in die stelsels waar de toegang tot de rechter heel gemakkelijk is. In sommige stelsels ziet men dan dat panels (of zelfs personen uit de panels, met name de voorzitter) worden bedreigd met rechtszaken door individuen of instellingen. Dit is uiteraard zeer ongewenst in het kader van peer -reviews en het is begrijpelijk dat panels tegen dergelijke praktijken in bescherming worden genomen. Een rechtszaak dient dan in plaats van tegen de panels tegen de kwaliteitszorgorganisatie te worden ingezet.
Degenen die verantwoordelijk zijn voor het beleid rond het openbaar maken van de resultaten en de onderliggende rapporten van panels, hebben dus met een groot aantal verschillende belangen rekening te houden. Een deel van die belangen staat bovendien haaks op elkaar, zoals bijvoorbeeld het geval is met volledige openbaarmaking ten faveure van bijvoorbeeld een rationele besluitvorming door studenten over hun studiekeuze, ten opzichte van het recht op privacy-bescherming van opleiding, instellingen en individuen. De te maken en gemaakte afwegingen zijn vaak uitingen van de politieke cultuur in de landen die het betreft. De cultuur kent grote verschillen, variërend van absolute en vrijwel onbeperkte openbaarheid, tot relatieve en sterk rekening houdend met de individuele belangen, vormen van openbaarheid.
4. Panels en publicaties
Wij hebben gisteren gehoord hoe belangrijk de experts zijn in het beoordelen van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. De samenstelling van de panels moet dan ook met de grootste zorgvuldigheid gebeuren, omdat de onafhankelijkheid, de deskundigheid en het gezag van het panel bepalend zijn voor de legitimiteit van de beoordeling van een opleiding of een instelling. De legitimiteit is natuurlijk belangrijk voor de buitenwereld, die op het oordeel van de experts moet kunnen vertrouwen. Maar die legitimiteit is even belangrijk voor de beoordeelde zelf: men moet zich fair behandeld weten, men moet vertrouwen hebben in het oordeel van de deskundigen en men moet bovendien het gevoel hebben dat de impliciete of expliciete aanbevelingen die in het panelrapport worden gegeven, ter zake doende zijn.
Zeker als kwaliteitszorgorganisaties zwaarwegende besluiten moeten nemen over het al dan niet aanwezig zijn van voldoende kwaliteit in een opleiding of instelling, moet de legitimiteit van de panels onomstreden zijn. Dat geldt nog sterker als op basis van de besluiten van kwaliteitszorgorganisaties sancties worden opgelegd, die betrekking kunnen hebben op bekostiging, het recht diploma's te verstrekken of het inschrijven van nieuwe studenten.
Op zichzelf rust dus al een zware verantwoordelijkheid op de panels. Indien de rapportages van de panels daarenboven ook nog gepubliceerd worden, vergt dat een zorgvuldige begeleiding en training van panels en hun secretarissen. Over het algemeen zijn de panelrapporten zorgvuldig en gebalanceerd genoeg. Panels realiseren zich dat zij zich te houden hebben aan criteria, en zijn daarnaast meestal goed in staat om een balans te vinden tussen oordelen over de te evalueren basiskwaliteit en suggesties om de kwaliteit van opleidingen en instellingen te verbeteren. Zorgvuldigheid en evenwicht tussen oordelen en aanbevelingen zorgen voor legitimiteit van de panels en in het overgrote deel van onze beoordelingsprocedures lijken hier geen problemen op te treden. Maar men moet bij de les blijven! Er zijn onder invloed van de publicatie van de rapporten een aantal effecten mogelijk op het gedrag van de panels. Ik noem er drie:
a. Het "macho-panel"
Het is denkbaar dat panels zich extra stevig opstellen om te laten zien dat zij "lef" hebben. Wij hebben bijvoorbeeld in de Nederlandse context ervaren dat uiterst gezaghebbende hoogleraren nu wèl betrokken willen worden als panellid in het accreditatiestelsel, terwijl zij dat in het "zachtere" visitatiestelsel niet wilden. Letterlijk werd als reden opgegeven, dat het feit dat hun oordelen ook effecten zouden kunnen hebben, hun inspanningen lonend zouden maken. De - in hun ogen- te grote vrijblijvendheid in het visitatiestelsel stootte deze zeer krachtige en gezaghebbende groep dus eerder af dan dat zij werden afgeschrikt door de mogelijke publieke consequenties van hun oordelen in het accreditatiestelsel.
Daar hoort echter meteen een duidelijke waarschuwing bij. Het spel moet dan ook goed en fair gespeeld worden. In Vlaanderen werd onlangs de voorzitter van een panel door een beoordeelde hoogleraar met een rechtszaak bedreigd, nadat het panel zodanig kritische opmerkingen had gemaakt over de zwaarte van één bepaald vak in een opleiding dat het als gevolg daarvan moest constateren dat die opleiding - conform de Vlaamse beslisregels over accreditatieaanvragen - niet geaccrediteerd kon worden; nog dreigender werd de situatie vervolgens toen ook de betreffende instelling een rechtszaak tegen het panel leek te gaan aanspannen. Als dat gebeurd zou zijn, is de legitimiteit van een stelsel met "peer reviews" voorbij. Het risico dat dan een veel meer procesgericht beoordelingsstelsel wordt opgelegd lijkt mij echter groter dan dat een overheid genoegen zou gaan nemen met een "zachter" evaluatiestelsel.
b. Het "old boys" panel
Een heel ander effect van de publicatie van hun rapporten treedt op bij panels, die hun eigen rol tijdens een beoordeling laten evolueren van beoordelaar tot adviseur. Men leest dergelijke worstelingen vaak terug in de panelrapporten, waarbij de argumentaties om tot "voldoende" oordelen te komen niet gedragen wordt door de door het panel geconstateerde feiten, maar door de bereidheid van de beoordeelde collega's om aanpassingen door te voeren, beleid te implementeren of te veranderen, of gedragingen te verbeteren. De beoordeling van een feitelijke situatie wordt dan omgezet in "plantoetsing", hetgeen natuurlijk een wezenlijk ander type beoordeling is. Deze handelswijze is vaak terug te voeren op de persoonlijke karakters van de panelleden: men heeft respect voor elkaar en in het slechtste geval wordt het een voorbeeld van het non-interventiebeginsel: "dit panel is niet al te streng voor jou, als jij het straks ook niet voor ons zult zijn". Een formele correcte onafhankelijkheid van een panel lost dit type gedrag niet op. Wèl kan het vaak helpen om echte buitenstaanders aan panels toe te voegen, vooral afkomstig uit het buitenland. Maar zelfs dan, zeker in kleine disciplines of specialisaties, is het niet altijd te vermijden.
c. "omfloerst" taalgebruik
Met een zekere regelmaat kan men in de beoordelingspraktijk merken dat panels tijdens de "site visits" steviger zijn dan later op papier terechtkomt. Dat is op zichzelf begrijpelijk omdat in het papieren rapport zorgvuldige beoordelingen en argumentaties gegeven moeten worden. Daar hoort vaak enige omzichtigheid bij, omdat een oordeel slechts zelden wit of zwart, ja of nee is. Meestal is het oordeel grijs en vergt het weging van verschillende zienswijzen voordat men tot een oordeel komt.
De NVAO is hiermee in de beginfase van haar bestaan geconfronteerd toen de NVAO een erg activistische opstelling koos in het beoordelen van panelrapporten, en negatieve commentaren en uitlatingen als het ware uitvergrootte en daarmee het positieve oordeel van een panel in twijfel trok. Dat had deels te maken met een leereffect. De oordelen van een panel moeten in een accreditatiestelsel natuurlijk steviger en beter gemotiveerd zijn dan in een stelsel gericht op verbetering. De NVAO moest dus - als leermeester en als uiteindelijk verantwoordelijke voor de oordelen - een nauwkeurige en precieze opstelling innemen. Deze opstelling leek echter een averechts effect op de kwaliteit van de rapporten te hebben, omdat commissies aarzelden negatieve kanttekeningen in de rapporten op te nemen. Het heeft een hele tijd geduurd voordat commissies dat weer aandurfden. Pas toen de NVAO ook publiekelijk had toegegeven "doorgeschoten" te zijn in het filteren van de rapporten, kregen de panels weer voldoende vertrouwen om hun "publieke" weging in de rapporten te baseren op positieve en ook minder positieve bevindingen. Nog steeds zijn er in Nederland overigens nog instellingen die de panels vragen om aanbevelingen als niet-publieke management-letters te versturen om te voorkomen dat de NVAO een positief oordeel van een panel niet zou volgen of om te voorkomen dat concurrerende instellingen en opleidingen te veel informatie krijgen.
5. Conclusie
Het publiceren van gegevens over de kwaliteit van instellingen en opleidingen is géén vanzelfsprekendheid. Zoals we hebben gezien zijn er verschillende perspectieven van waaruit men naar het belang van publicaties kan kijken. Bovendien kan publicatie effect hebben op de handelswijze van panels. Het is dan ook begrijpelijk dat goed nagedacht wordt over de voor- en nadelen èn de mogelijke positieve en negatieve effecten van publicatie. Daarenboven spelen de politieke cultuur en met name de opvattingen over de positie van de staat een belangrijke rol in het vormgeven van een ruim of een terughoudend publicatiebeleid.
Het is dus ook niet gemakkelijk een conclusie te treken uit datgene dat ik u hier vanmorgen heb gepresenteerd.
Toch ga ik dat proberen. Ik kies daarvoor in de eerste plaats een benadering vanuit de Hoger Onderwijsinstelling zelf. En ik ga er daarbij van uit dat we te maken hebben met een instelling met een zekere ambitie: een instelling dus die nagedacht heeft en voortdurend blijft nadenken over haar missie, en die op basis van daarvan een visie en doelstellingen ontwikkeld heeft en die steeds verder blijft ontwikkelen. Een dergelijke instelling biedt wat aan de samenleving en aan studenten: een onderwijsaanbod, met een bepaalde inhoud en mogelijk ook vormgegeven op basis van een pedagogisch-didactisch model. Zo'n instelling belooft dus wat aan de arbeidsmarkt en aan die studenten, en poogt op basis daarvan studenten binnen te halen en belangstelling van de arbeidsmarkt te trekken. Men pleegt dus vaak bewuste marketing en public relations. Kwaliteitszorgorganisaties beoordelen vaak of een instelling of opleiding waarmaakt wat zij belooft op een internationaal aanvaardbaar niveau van bachelor of master. Belofte maakt schuld: als een instelling of opleiding niet blijkt waar te maken wat zij belooft, dient dat bekend gemaakt te worden. En dat pleit dus voor een zo groot mogelijke openbaarmaking van oordelen. Dat is mijn eerste plaatsbepaling.
Mijn tweede benadering gaat uit van de mijns inziens noodzakelijke internationalisering van de Europese Hoger Onderwijsruimte. De meeste Europese landen, onderwijsinstellingen, studenten en een groot deel van de economisch meest belangrijke bedrijfstakken zijn gebaat bij een grote mobiliteit van studenten, tot uiting komend in een aanzienlijke buitenlandervaring. Als men dat uitgangspunt deelt, is het evident dat voldoende en betrouwbare informatie beschikbaar dient te zijn over de kwaliteit van instellingen en opleidingen. Idealiter wordt die informatie gegeven door de instellingen zelf. Maar juist omwille van de objectiviteit en het voorkomen van eenzijdige marketing en public relations, denk ik dat de oordelen van de kwaliteitszorgorganisaties een extra waarborg betekenen.
Ik realiseer me dat ik natuurlijk een product ben van mijn eigen politieke systeem en vanuit dat perspectief wellicht de voordelen van de publicatie van onafhankelijke oordelen wat sterker aanzet dan de nadelen, maar ik weet ook dat ik consistent ben. Als oud-voorzitter van een universiteit (Maastricht University) die een heel eigen onderwijskundige benadering heeft gekozen (het Problem Based Learning) en die daarnaast vanuit volle overtuiging voor een krachtige internationalisering koos, ben ik altijd voorstander geweest van zo groot mogelijke openheid over kwaliteitsoordelen. Die houding dwong mijn universiteit er bovendien toe voortdurend alert te zijn op een mogelijk kwaliteitsverlies en er altijd naar te streven om waar te maken wat wij beloofden. En die consistente opstelling heeft uiteindelijk het meeste succes!
Daarom mijn overtuiging dat publicatie van oordelen en van de rapporten van de experts uiteindelijk een positief effect op de kwaliteit van instellingen en opleidingen zal hebben.
Ik dank u voor uw aandacht!
