Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
Artikel TH&MA, 3 juli 2006
Het Nederlandse accreditatiestelsel is in de jaren 2000-2002 achter de tekentafel bedacht. Weliswaar is door de commissie Franssen in 2001 veel voorwerk verricht, maar het stelsel kon niet door middel van pilots en experimenten worden uitgeprobeerd. Daarvoor was de druk om het stelsel in te voeren te groot en bovendien werden tijdens de parlementaire behandeling van de "accreditatiewet" nog allerlei amendementen aangebracht. De feitelijke werking van het stelsel gaat dus met allerlei gewenste, maar ook met onvermoede en ongewenste (neven)effecten gepaard.
Het is daarom uitstekend dat de Inspectie van het Onderwijs de opdracht heeft gekregen om in 2005 en 2006 een midterm-review te doen over een aantal aspecten van de werking van het stelsel. De eerste twee katernen, over de kosten van het stelsel en de internationale legitimiteit ervan, bevatten waardevolle analyses en suggesties tot verbetering op de kortere en middellange termijnen. Op basis van het eerste rapport zijn onder andere allerlei voorstellen ontwikkeld tot vermindering van de accreditatielast, die uiteindelijk ook tot een vermindering van vooral de interne kosten bij de instellingen moeten leiden.
Het onlangs verschenen derde katern bevat opnieuw een goede analyse en eveneens interessante voorstellen tot verbetering. De belangrijkste constatering in het rapport is dat het stelsel weliswaar voortvarend is ingevoerd en ook nog redelijk werkt, maar dat vooral in de afstemming tussen NVAO en VBI ruis optreedt, die door de VBI’s en de opleidingen als ergerlijk wordt gekwalificeerd. De ruis heeft ermee te maken dat de NVAO er niet voor geopteerd heeft als "stempelmachine" te werken, maar een echte invulling geeft aan de wettelijke opdracht om op grond van de VBI-rapporten tot een eigenstandig oordeel te komen.
Dat betekent dus dat de NVAO inderdaad niet voetstoots de oordelen van een panel overneemt, maar daar met een zekere regelmaat vragen over stelt. De NVAO-attitude heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld en er kunnen nu een aantal gedragsmodaliteiten onderkend worden:
- de NVAO neemt het rapport van de VBI zonder meer over: dit gebeurt in 80% van de gevallen;
- de NVAO-beleidsmedewerkers stellen technische vragen aan hun collega’s bij de VBI’s;
- de NVAO stelt aanvullende vragen, die te maken kunnen hebben met de inhoud van het rapport of de context van de opleiding: in het eerste geval worden deze vragen schriftelijk beantwoord, in het tweede geval gaat de NVAO steeds vaker zelf op bezoek bij de instelling;
- de NVAO keurt het rapport af, omdat het geen basis kan vormen voor de oordeelsvorming door de NVAO;
- de NVAO stelt een verificatiecommissie in, die een oordeel moet vormen over die facetten of onderwerpen uit het VBI-rapport, waarover de NVAO “gerede twijfel” heeft. Inmiddels zijn 8 van deze commissies actief (geweest);
- de NVAO verleent geen accreditatie, omdat het rapport van de VBI daartoe adviseert.
In zo’n 20 procent van de gevallen vindt dus nader contact plaats tussen NVAO, VBI’s en opleidingen. Ook de NVAO zelf vindt dit percentage te hoog en er is ons veel aan gelegen om dat te verlagen waardoor de "ruis" in het stelsel vermindert. Daartoe worden de contacten tussen NVAO en VBI’s over de rapportages geïntensiveerd.
De Inspectie signaleert tevens in haar rapport dat de betrouwbaarheid en validiteit onder druk komen te staan door de verschillende handelwijzen van VBI’s en de ruimte die het kader en de beslissingsregels van de NVAO bieden. Hier komt de klassieke spanning tussen de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid aan de ene kant en de ruimte en autonomie voor VBI’s en opleidingen aan de andere kant, ten volle tot uiting. De NVAO heeft voor de laatste insteek gekozen: probeer van het kader geen afvinklijstje te maken, maar geef de professionals in de opleidingen en de beoordelaars de ruimte een op de opleidingen toegesneden oordeel te geven. Vandaar ook geen voorschrift over het maximaal aantal onvoldoende facetten per onderwerp, maar de opdracht aan de panels en de VBI’s om per onderwerp een weging te maken van de voldoende en onvoldoende facetten om zo tot een beargumenteerd oordeel op onderwerpsniveau te komen. Dat kan ten koste gaan van de consistentie, maar het doet wel recht aan de eigenheid van opleidingen!
Tot slot merkt de Inspectie ook nog op dat de verbeterfunctie in het stelsel meer naar voren is verplaatst. Er wordt al in een vroeg stadium gereageerd op de bevindingen van de panels, zodat de uiteindelijke beoordeling laat zien dat de basiskwaliteit wordt behaald. In het verleden kwamen de negatieve punten en de aanbevelingen openlijk in de visitatierapporten terecht, zodat het grote publiek er kennis van kon nemen. De NVAO vindt het geen nadeel dat dat niet meer zo is: als de effecten van het panelbezoek tot kwaliteitsverbeteringen op de korte termijn kunnen leiden, is dat voor alle betrokkenen een voordeel. In het tijdperk van het visitatiestelsel was het immers niet duidelijk wat met de aanbevelingen of kritiek werd gedaan. De huidige praktijk kan dus vanuit het oogpunt van kwaliteitsverbetering zelfs als een pluspunt worden gezien.
De NVAO kan haar voordeel doen met dit derde katern van het Inspectie-onderzoek. Bijstellingen tijdens de rit blijven dus mogelijk, ook al worden die niet altijd door de betrokken partijen in dank afgenomen. Hoewel dat begrijpelijk is, moet de goede werking van het stelsel voorop blijven staan. Het is eigenlijk al een klein wondertje dat het tekentafelproduct in de praktijk zo goed blijkt te functioneren.
