Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
'Accreditatie, of het sluitstuk van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs: wie wordt er beter van?', toespraak Gilbert Vanleenhove, bestuurslid NVAO, Oostende, 19 september 2005
NB: Alleen het gesproken woord geldt.
Elf jaar geleden keurde het Vlaams Parlement – dat toen nog Vlaamse Raad heette – het hogescholendecreet goed. Er ging een schokgolf doorheen Vlaanderen. Want inderdaad, dat hogescholendecreet veroorzaakte een nooit geziene omwenteling in het Vlaamse landschap van hoger onderwijs. Tot dan toe telden wij niet minder dan 169 hogescholen en vooral hogeschooltjes, verspreid over het hele Vlaamse land. In bepaalde gevallen waren ze niet meer dan een soort voortgezet secundair onderwijs, en soms zelfs nog amper leefbaar. Het decreet bracht echter een gigantische fusiebeweging op gang, waardoor die 169 onderwijsinstellingen samensmolten tot nauwelijks nog 29 meer grootschalige, autonome en levenskrachtige instellingen. De schaalvergroting heeft zich inmiddels zelfs nog verder doorgezet, zodat wij vandaag in Vlaanderen nog 22 hogescholen tellen. Ze hebben zich allemaal ontwikkeld tot inhoudelijk zeer degelijke onderwijsinstituten die elke concurrentie met soortgelijke instellingen in Europa kunnen aangaan. Maar hoe groot en baanbrekend die hele operatie van schaalvergroting in Vlaanderen ook was, ze vormde maar een grote stofwolk binnen Europa in vergelijking met de continentale wervelwind die enkele jaren later doorheen het héle Europese hoger onderwijslandschap is beginnen razen.
Die wervelwind zat er natuurlijk al een tijdje aan te komen, maar de échte dynamiek kwam op gang n.a.v. de viering van 800 jaar Sorbonne in Parijs in 1998. De onderwijsministers van vier grote Europese landen, met name Frankrijk, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, waren daar samen en namen het initiatief om zich te bezinnen over de toekomst van het hoger onderwijs in Europa. Zij hadden gezien hoe Europa zich ontwikkelde, hoe handel en economie altijd maar meer internationaliseerden, hoe er een vrij verkeer ontstond van personen, van werknemers en werkgevers. Zij constateerden hoe als logisch gevolg daarvan ook een vrij verkeer van diploma’s tot stand kwam en welke ingewikkelde en pijnlijke procedures voor diploma-erkenning daarmee gepaard gingen voor de betrokkenen, omdat onze nationale diplomastelsels helemaal niet op mekaar afgestemd waren. Ik hoef dat in de KHBO trouwens niet te vertellen. De industrieel ingenieurs die hier in Oostende hun diploma haalden en die naar het buitenland trokken om er te werken, weten daarover mee te spreken. Was het dus niet meer dan evident dat onze diploma’s op een of andere manier ook transparanter moesten worden, meer internationaal herkenbaar en vergelijkbaar, en dat er een grotere convergentie moest komen tussen onze diverse nationale hogeronderwijssystemen ? Konden wij met onze sterk uiteenlopende onderwijssystemen in Europa zonder grondige veranderingen nog concurrentieel blijven tegenover de groeiende kenniseconomie en tegenover de expansieve kennisontwikkeling in de Verenigde Staten en het Verre Oosten?
Het denken van die vier onderwijsministers leidde uiteindelijk, nauwelijks een jaar later, tot de bekende Bolognaverklaring van 19 juni 1999. Het clubje van vier was toen al uitgegroeid tot een imponerend gezelschap van 31 onderwijsministers uit diverse Europese landen, waaronder ook Vlaanderen. Op vandaag, na nog een drietal vervolgconferenties, is het aantal ondertekenaars van de Bolognaverklaring al gegroeid tot 45 landen. Al deze landen van het Europese continent hebben de intentie uitgesproken om samen één grote Europese Hoger Onderwijsruimte uit te bouwen. Een echte revolutie dus in het hoger onderwijslandschap op ons continent.
Ook al is die idee van een Europese Hoger Onderwijsruimte weeral niet zó nieuw. Europa, moet u weten, heeft sinds de oprichting van de eerste universiteiten eeuwenlang een dergelijke ruimte geboden. Eeuwenlang doorkruisten leergierige studenten en professoren Europa en bezochten er verscheidene universiteiten op zoek naar kennis. Het Europese hoger onderwijs had toen zelfs haar eigen lingua franca : het Latijn. Maar met de komst van de natiestaten is die Europese Hoger Onderwijsruimte jammer genoeg ten onder gegaan. De nieuwe naties wilden een eigen elite, een elite die weinig mogelijkheden kreeg om over de landsgrenzen heen te kijken en die doceerde en publiceerde in de eigen taal, als typisch bindmiddel van de natiestaat. Maar daarmee zat men natuurlijk ook voor een stuk opgesloten in die eigen staat.
In de loop van de twintigste eeuw is de Europese Hoger Onderwijsruimte opnieuw vele malen politiek aangekaart, maar altijd zonder succes. Tot aan die historische ontmoeting aan de Sorbonne en de daaropvolgende Bolognaverklaring. In de Bolognaverklaring staat concreet omschreven hóe de verschillende landen tot die ene Europese Hoger Onderwijsruimte willen komen. Dat mag zeker níet gebeuren door een uniformering van ons hoger onderwijs. Dat zou trouwens een verarming betekenen, want onderwijs is heel nauw verbonden met de nationale cultuur en met de identiteit van de verschillende landen, en dat moet ook zo kunnen blijven. Dat is trouwens de reden waarom onderwijs nooit een volwaardige bevoegdheid geworden is van de Europese Unie. De hervorming moet wél gebeuren door een harmonisering van onze hogeronderwijsstelsels. Dat betekent dan dat we een vergelijkbare diplomastructuur moeten krijgen, dat we in alle deelnemende landen de bachelor- en masterstructuur introduceren, dat wij een vergelijkbaar en Europees erkend systeem van studiepunten hanteren die de studielast aangeven, en vooral ook dat er een stevig kwaliteitszorgsysteem met externe controle op poten gezet wordt. Op die manier moet de mobiliteit kunnen toenemen van studenten en docenten en moeten wij in Europa met een eigen hooggespecialiseerde arbeidspopulatie en met een goed ontwikkeld beleid voor excellentie in research en innovatie, de concurrentie aankunnen met de Verenigde Staten en met enkele opkomende Aziatische grootmachten.
Dat alles zou bereikt moeten worden tegen 2010. Vandaag staat echter al vast dat die timing voor een aantal landen wat te hoog gegrepen is. Zeker de landen die pas onlangs toegetreden zijn, moeten nog een heel proces doorlopen. Bovendien is de uitgangspositie van de deelnemers niet altijd vergelijkbaar. Zo hebben een aantal landen of deelstaten, waaronder Vlaanderen en Nederland, al sinds langer een goed werkend stelsel van kwaliteitszorg, terwijl anderen daarmee nog aan het experimenteren zijn. Ook de regelgeving is niet in alle landen even ver gevorderd als bij ons. Als wij tot een echte Europese Hoger Onderwijsruimte willen komen, dan is het nogal duidelijk dat ook die overige landen de motivatie moeten kunnen blijven behouden om verder te werken, en dat dit anderzijds niet ten koste mag gaan van de kwaliteitsstandaarden die wij in Europa als norm gaan hanteren. Want, kwaliteit, daar is het uiteindelijk allemaal om te doen. De beoogde hogeronderwijsruimte in Europa kan nu eenmaal alleen maar tot stand komen als het aanbod van de opleidingen in de verschillende landen wordt gemeten aan uniforme, of ten minste toch vergelijkbare kwaliteitsstandaarden. Er moet toch ergens een kwaliteitslabel zijn dat aan studenten, aan docenten, aan werkgevers, aan de samenleving binnen Europa de garantie biedt dat de kwaliteit van een opleiding – waar ze ook wordt aangeboden -, dat de kwaliteit van een diploma aan de maat is. Wat oneerbiedig zou ik het kunnen vergelijken met de M-stempel van “meesterlijk” op de gandaham in het reclamespotje op televisie, waar die kleine dreumes zegt : “In mijn soep moeten alle lettertjes zitten, maar op mijn boterham heb ik liefst een M.”. En gelijk heeft zij.
Welnu, dames en heren, dat kwaliteitslabel in hoger onderwijs is precies de ‘accreditatie’ van een opleiding. Het woord komt van het Latijn : accredere : vertrouwen geven, krediet geven. Als een opleiding een accreditatie krijgt, dan wil dat dus zeggen dat wij er op mogen vertrouwen dat die opleiding de nodige basiskwaliteit bezit. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke accreditatie maar verleend kan worden door een onafhankelijke en deskundige autoriteit. Vlaanderen en Nederland hebben ervoor geopteerd om daarvoor een gezamenlijke instelling in het leven te roepen die op een volkomen onafhankelijke wijze die accreditatie aan de diverse opleidingen verleent. Bij verdrag tussen onze beide landen werd de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, kortweg, de NVAO, opgericht. Die NVAO heeft tot taak om in de komende acht jaar álle opleidingen in de Vlaamse en Nederlandse universiteiten en hogescholen te beoordelen. Dat betekent voor Nederland en Vlaanderen samen dat in de komende jaren om en bij de 4.000 opleidingen beoordeeld moeten worden.
Het is evident dat de zes Vlaamse en negen Nederlandse bestuursleden van de NVAO, samen met de beperkte staf medewerkers die ze ten dienste staat, niet zelf alle instellingen kunnen bezoeken om de kwaliteit van de opleidingen te gaan meten. Evenmin kun je verwachten dat zij zelf alle deskundigheid in huis zouden hebben om de meest uiteenlopende en complexe disciplines op hun inhoudelijke merites te beoordelen. Daarom maakt accreditatie deel uit van een heel proces van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs, met heel wat actoren. Accreditatie vormt dan het sluitstuk van dat kwaliteitszorgstelsel.
Ik wil niet in de technische details treden inzake alle procedures die gepaard gaan met accreditatie. Dat zou te saai en te moeilijk worden en ik wil het niet op mijn geweten hebben dat er straks geen volk meer zou zijn op de receptie. Toch wil ik de essentie van een en ander meegeven. Daarnet heb ik al gezegd dat wij in Vlaanderen, en ook in Nederland, al sinds langer in ons hoger onderwijs een degelijk kwaliteitszorgstelsel kennen, dat overigens internationaal ook zeer gewaardeerd wordt. Dat heb ik enkele jaren geleden trouwens zelf nog mogen ervaren toen ik met de Onderwijscommissie van het Vlaams Parlement op studiebezoek was in Noorwegen en er tijdens verscheidene gesprekken met verantwoordelijken uit hogeronderwijsinstellingen veel waardering hoorde over de manier waarop wij de kwaliteit van ons onderwijs bewaken en voortdurend proberen te verbeteren. Bij de vormgeving van het accreditatiestelsel moest de NVAO dus niet van nul vertrekken. Wij hebben gekozen voor aansluiting bij ons bestaande stelsel van kwaliteitszorg. Dat betekent dat alles start op het niveau van de opleiding zelf . Het gaat dan om de zelfevaluatie die de opleiding uitvoert en die resulteert in een zelfevaluatierapport. In een tweede fase volgt dan een externe beoordeling, de zogenaamde visitatie, die verricht moet worden door een onafhankelijke commissie van gezaghebbende, onafhankelijke en deskundige leden.
Die visitatiecommissie mag niet haar eigen model komen opleggen, maar ze moet vertrekken vanuit het zelfevaluatierapport dat de opleiding zelf heeft opgesteld en ze moet met alle geledingen die bij de opleiding betrokken zijn, een gesprek hebben. De universiteiten in Vlaanderen kennen dat systeem van de externe visitatiecommissies al sinds verscheidene jaren. De hogescholen zijn daar nog maar net mee gestart. Het zal dus even wennen worden.
Het sluitstuk van het kwaliteitszorgstelsel – na de zelfevaluatie en na de visitatie - is dan uiteindelijk, zoals gezegd, de accreditatie, de formele beslissing door de NVAO of een opleiding aan de maatstaven van basiskwaliteit voldoet of niet. Het is daarbij zeker niet de opdracht van de NVAO om de onderwijsvisitaties over te doen. In de NVAO gaan wij gewoon na of op basis van het visitatierapport in redelijkheid kan worden aangenomen dat de kwaliteit van een opleiding voldoende gewaarborgd is. Wij werken daarvoor met zogenaamde ‘accreditatiekaders’. De visitatiecommissies hanteren die accreditatiekaders in hun visitatierapport. Die accreditatiekaders toetsen de doelstellingen van de opleiding : wat wil een instelling met een opleiding en maakt ze waar wat ze belooft. Ze peilen ook naar andere parameters : wat is de aard, de inhoud en de samenhang van het programma en hoe wordt het getoetst, is er voldoende studiebegeleiding, is er voldoende personeel om de opleiding te organiseren en bezit dat personeel voldoende competenties, zijn de nodige infrastructuur en alle nodige materiële en andere voorzieningen aanwezig, is er voldoende aandacht voor internationale ontwikkelingen in de opleiding, en ten slotte : is er voldoende interne kwaliteitszorg. Die toetsingskaders zijn bewust algemeen gehouden. Maar dat ze algemeen zijn, betekent natuurlijk niet dat ze vaag of laks zijn. De algemeenheid biedt de opleidingen juist de ruimte voor de eigen ambities en opvattingen, ruimte voor de persoonlijke keuze van de instelling, van de docenten en studenten om kwaliteit te leveren, ruimte voor vernieuwing, voor differentiatie en profilering. Het kan best zijn dat de visitatiecommissie uw opvattingen niet deelt over hoe u onderwijs geeft. U mag echter wél verwachten dat de panelleden zich daar in kunnen verplaatsen, dat zij de consistentie toetsen en met u meedenken. Accreditatie gaat dus niet om de vraag “of u waarmaakt wat de NVAO wil”, maar wel “of u waarmaakt wat u belooft”. Dat respect voor de autonomie van de instellingen past overigens volledig in onze tijdgeest waarin gelijkheid en uniformiteit niet meer als deugden worden aangezien, maar waar de nadruk ligt op de mogelijkheden tot onderscheid. Welnu, met die globale accreditatiekaders biedt de NVAO deze ruimte, deze mogelijkheden.
Kwaliteitszorg mag geen kwellend strak keurslijf worden, een verstikkende bureaucratie. Ze moet integendeel een vanzelfsprekend onderdeel zijn van het onderwijs en geen nummertje dat men opvoert om de NVAO te behagen. Zovele eeuwen geleden wist Aristoteles dat al. Kwaliteit is geen toneel, zei hij, het is een gewoonte. En welk geluk kan men beleven aan een opleiding die niet met bezieling en met oog voor kwaliteit gemaakt is ? Toen ooit aan president Kennedy gevraagd werd of hij gelukkig was, dan antwoordde hij met een Grieks gezegde : “Geluk is als je uitgedaagd wordt je talenten te ontplooien langs lijnen van voortreffelijkheid.” Lijnen van voortreffelijkheid, dat is wat de samenleving van onze hogeronderwijsinstellingen mag verwachten. En het is dus goed dat een accreditatiebeslissing die voortreffelijkheid al dan niet bevestigt. Een accreditatiebeslissing is immers een zeer heldere beslissing. Het is een ja of een neen. Het is een onverbiddelijk oordeel of een opleiding aan de standaarden van basiskwaliteit voldoet of niet. En van die formele beslissing van NVAO hangt veel af. Als een opleiding geen accreditatie krijgt, dan mag de instelling die opleiding ook niet meer organiseren. Tegen die beslissing is er wel beroep mogelijk bij de Vlaamse regering. En in Vlaanderen, in tegenstelling tot Nederland, is er ook in een herstelmogelijkheid voorzien. Dat betekent dat als een opleiding een onvoldoende krijgt, de instelling bij de Vlaamse regering een dossier kan indienen met de vraag om gedurende een periode van ten hoogste drie jaar de vastgestelde lacunes weg te werken.
Dames en heren, het accreditatieverdrag dat tussen Vlaanderen en Nederland afgesloten werd en dat tegelijk de oprichting inhield van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, plaatst onze beide landen in een sterke positie om een voortrekkersrol in Europa te vervullen. De uiteindelijke doelstelling moet zijn te komen tot een kader van wederzijdse erkenning van accreditaties en van diploma’s, graden en opleidingen in geheel Europa. Zo’n wederzijdse erkenning noodzaakt natuurlijk tot een Europees forum. Welnu, de Nederlandse en de Vlaamse overheid hebben daarom de NVAO de opdracht gegeven om te komen tot een goede internationale afstemming van accreditatie- en toetsingskaders. In de NVAO hebben wij daartoe al diverse initiatieven genomen. Vooreerst is onder impuls van NVAO het Europese Consortium voor Accreditatie (ECA) opgericht. Op dit moment maken reeds twaalf accreditatieorganisaties uit acht landen er deel van uit. Het gaat om Noorwegen, Spanje, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Ierland, Nederland en Vlaanderen. Die landen willen tegen 2007 komen tot wederzijdse erkenning van mekaars accreditatiebesluiten, om de herkenbaarheid en de transparantie van het Europees hoger onderwijs en de mobiliteit van studenten te vergroten. Daarnaast is de NVAO nog actief lid van enkele andere internationale kwaliteitszorgnetwerken. En wat de automatische erkenning van mekaars diploma’s betreft hebben wij alvast in Nederland en Vlaanderen een zeer goed overleg met de respectieve organisaties die specifiek verantwoordelijk zijn voor diploma-erkenning. Wij mogen daarom verwachten dat binnen afzienbare tijd er minstens al een gemeenschappelijke Nederlands-Vlaamse diplomaruimte tot stand komt. Datzelfde moet over x-aantal jaren ook voor heel Europa kunnen gebeuren. En daar wordt hard aan gewerkt.
Dames en heren, doorheen mijn betoog zal het wel duidelijk geworden zijn wie nu uiteindelijk beter wordt van heel dat accreditatiegebeuren. Het zijn om te beginnen de opleidingen zelf. Met de invoering van accreditatie krijgt kwaliteitszorg meer aandacht binnen de instellingen. Bovendien krijgen ze een kwaliteitskeurmerk dat ze als label kunnen uitspelen in een concurrentiële markt. Door een internationale erkenning van ons accreditatiestelsel moeten onze instellingen – en dus ook KHBO - zichtbaar kunnen profiteren van dat kwaliteitslabel, doordat zij meer aantrekkingskracht hebben op buitenlandse studenten en doordat er een grote buitenlandse bereidheid wordt ontwikkeld om Vlaamse en Nederlandse studenten te ontvangen en diploma’s van afgestudeerden – ook van onze industrieel ingenieurs bijvoorbeeld - te waarderen. Verscheidene van onze Vlaamse hogeronderwijsinstellingen, waaronder ook de KHBO, profileren zich als internationale hogeschool. Ze gaan er – overigens veelal terecht - prat op dat ze de kennismarkt opengooien, dat ze inspelen op de toenemende internationalisering, dat ze buitenlandse studenten naar hun eigen instelling halen en eigen studenten ook naar het buitenland sturen. Geen enkel hogeronderwijsinstituut kan dat echter geloofwaardig doen als het zich inzake kwaliteitszorg terugplooit op een louter regionale reflex, als het niet bereid is, in de lijn van Bologna, in de ambitie van een Europese Hoger Onderwijsruimte, om ook via de accreditatie de markt open te gooien en zo aan buitenlandse partners de echte garantie te geven dat het de nodige, internationaal erkende kwaliteit in huis heeft. Europa is veel groter dan om het even welke Vlaamse provincie. Een hogeschool of een universiteit die niet de ambitie heeft om mee te stappen in het hele Europese accreditatieverhaal, blijft voor een stuk een regionale instelling.
Naast de opleidingen is ook het afnemende werkveld gebaat bij een transparant kwaliteitssysteem in het hoger onderwijs. De wetenschap dat de kennis en kunde van een afgestudeerde op een voldoende hoog peil zijn, is voor het bedrijfsleven een belangrijk gegeven. Maar vooral de studenten doen hun voordeel. Zij hebben er recht op te weten of de opleiding waarvoor zij zich willen inschrijven in een internationale context beantwoordt aan de nodige kwaliteitsstandaarden. Zij moeten er op kunnen vertrouwen dat een geaccrediteerde opleiding hen daadwerkelijk toerust met de kennis, de inzichten, vaardigheden en kwalificaties die aan een internationaal erkende bachelor- of mastergraad verbonden zijn. Zij moeten ook de eigen profileringskenmerken van een opleiding kunnen kennen. In de openbare accreditatiebesluiten kunnen de studenten deze objectieve informatie vinden en op die manier kunnen ze beter geïnformeerde beslissingen nemen bij hun studiekeuze. In Nederland zijn we binnen de NVAO al wat langer bezig met het verlenen van accreditatie aan opleidingen. In Vlaanderen zijn we inzake regelgeving wat later van start gegaan, waardoor de eerste aanvraagdossiers voor accreditatie pas dit jaar binnen beginnen te lopen. Welnu, tijdens de voorbije maanden was het echt opvallend hoe verrassend veel vragen wij op onze NVAO-mailbox binnenkregen van zowel Nederlandse als buitenlandse studenten of deze of gene concrete opleiding in Nederland al dan niet geaccrediteerd was. De accreditatie bepaalt daar dus al meer en meer de keuze van de studenten voor de ene of de andere instelling.
Dames en heren, in Vlaanderen moeten wij er nog aan wennen. Het onbekende boezemt altijd wat angst in en roept altijd wat weerstand op. Ik doe echter een oproep om – natuurlijk met kritische zin – maar tegelijk toch zonder vrees en met zelfvertrouwen en een gezonde ambitie de nieuwe uitdagingen aan te gaan en op die manier verder te bouwen aan de internationale toekomst van ons Vlaamse hoger onderwijs. Ik wil nu alleen nog de voorzitter en het hogeschoolbestuur, de algemeen directeur, de directieleden, alle personeelsleden in hun verschillende hoedanigheden en niet in het minst ook alle studenten een bijzonder vruchtbaar, succesrijk en boeiend academiejaar toewensen.
Ik dank u voor uw aandacht.
Gilbert Vanleenhove
19 september 2005
Geraadpleegde bronnen :
- Delta, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, Extra nummer: NVAO-congressen 2005, nr. 7, sept. 2005
- Peter Kwikkers, Dirk van Damme, Theo Douma, Accreditatie in het Hoger Onderwijs, Achtergrond en praktijk in Nederland en Vlaanderen, Sdu Uitgevers, 2003, ISBN90 1209 997 8
- Viviane Redant, BaMa, (R)evolutie in het hoger onderwijs ?, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2004, ISBN 90 441 1700 9
- Verder : NVAO-documenten en toespraken van NVAO-verantwoordelijken, w.o. Olchert Brouwer, Karl Dittrich, Marc Luwel, Loek Vredevoogd; documenten van het Vlaamse Parlement en van de Vlaamse regering; krantenartikels; etc.
