Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
'Mutual Recognition: noodzakelijk en onontkoombaar', toespraak Karl Dittrich, voorzitter NVAO, Berlijn, 7 juli 2005.
N.B. Speech is namens Karl Dittrich uitgesproken door Obe de Vries, beleidsmedewerker NVAO. Alleen het gesproken woord geldt.
Dames en heren,
Ik ga u de komende vijfentwintig minuten vertellen hoe vanuit Nederland en Vlaanderen wordt aangekeken tegen het vraagstuk van wederzijdse erkenning van kwaliteitszorgbeslissingen. Mijn betoog kan worden beschouwd als enigszins arrogant en wellicht zelfs enigszins elitair, maar ik zal u ook uitleggen waarom ik dat doe.
Nederland en Vlaanderen zijn twee extreem open economieën, die maar in beperkte mate beschikken over grondstoffen en die bovendien al eeuwenlang bedreven zijn in handel en vervoer. Onze beide landen moeten het dus hebben van internationale contacten, van samenwerking – in economische termen – met andere landen en van kennis van andere talen en culturen. Nederland en Vlaanderen zijn dus beide gebaat met een internationale arbeidspopulatie en dat betekent dat er een actief beleid wordt gevoerd om te komen tot een zo internationaal mogelijk samengestelde arbeidspopulatie.
Voor beide landen is het hogeronderwijsbeleid een van de belangrijkste instrumenten om het doel van maximale internationalisering te realiseren. Dat betekent een beleid waarin studenten worden aangemoedigd (en soms zelfs verplicht) om een periode van in elk geval 30 ECTS in het buitenland door te brengen; dat betekent tevens een beleid waarin zo veel mogelijk buitenlandse studenten worden aangemoedigd om een deel van hun studie in Vlaanderen en Nederland te komen doorbrengen; en dat betekent ook een beleid waarin bewust de eigen Nederlandse taal opzij gezet wordt ten faveure van de lingua Franca van de wetenschap, het Engels.
Uiteraard gaat het niet louter om de kwantiteit van uitgaande en binnenkomende studenten, maar zeker ook om de kwaliteit. Sommige wetenschapsgebieden in onze beide landen kennen grote tekorten in aantallen studenten, met name in de exacte en technische wetenschappen, en in de grote talen Frans, Duits, Spaans, Chinees en Russisch, en om die tekorten op te vangen wordt actief gezocht naar buitenlands talent. Een economie van diensten en handel moet het daarnaast hebben van hoogopgeleiden. Alleen dan kan de noodzakelijke toegevoegde waarde in deze sectoren worden geleverd.
Nederland en Vlaanderen zijn dus niet erg geďnteresseerd in academisch toerisme. Weliswaar is elke buitenlandervaring meegenomen, maar het gaat uiteindelijk om een echte onderdompeling in cultuur, economie, taal en het dagelijkse leven. En als dat als uitgangspunt wordt gehanteerd, moet vervolgens goed gekeken worden naar het niveau en de kwaliteit van de studenten en van de instellingen waar zij vandaan komen en waar zij naar toe gaan.
Nederland en Vlaanderen kunnen beide terecht trots zijn op de kwaliteit van hun hogeronderwijsstelsels. Door een al vroeg opgezette externe kwaliteitszorgsystematiek, bestaande uit visitaties door externe, over het algemeen ook met internationale deskundigen samengestelde panels, en een openbare verslaglegging, is de kwaliteit van het Nederlandse en Vlaamse Hoger onderwijs op zijn minst constant gebleven, zo niet toegenomen. En bovendien zijn beide stelsels in staat gebleken om een verdubbeling in het studentenaantal in twee decennia op te vangen zonder kwaliteitsverlies! Dat is een majeure prestatie.
Om al deze redenen moeten onze standaarden dus hoog liggen en daarom wordt er vanuit beide landen met argusogen gekeken hoe de Europese Hoger Onderwijsruimte zich ontwikkelt. Sinds de Bolognaverklaring van 1999 hebben Nederland en Vlaanderen steeds deel uitgemaakt van die groep landen die de nadruk legde op versterking van de externe kwaliteitszorg in alle Europese hogeronderwijsstelsels, op internationale evaluaties van niveau en kwaliteit van opleidingen en graden, en op de noodzaak om te komen tot een stelsel van wederzijdse erkenning van graden en kwalificaties.
Dat laatste gaat natuurlijk niet vanzelf en om de externe legitimering van de kwaliteit van de Nederlandse en Vlaamse opleidingen nog te versterken, is in beide landen overgegaan tot de invoering van een accreditatiestelsel. De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, waarvan ik de voorzitter ben, heeft tot taak om in de komende acht jaar alle opleidingen in de Nederlandse en Vlaamse universiteiten en hogescholen te beoordelen.
In Nederland gaat het om 14 bekostigde universiteiten, 45 bekostigde hogescholen en nog eens 70 privaat gefinancierde instellingen, terwijl Vlaanderen zes publiek gefinancierde universiteiten, 22 bekostigde hogescholen en slechts een handjevol private instellingen kent. In totaal zullen de komende jaren rond de 4000 opleidingen beoordeeld worden.
Omwille van de beleidsdoelstelling om te komen tot een grotere mobiliteit van studenten en arbeidsbevolking zijn Nederland en Vlaanderen dus grote supporters van stappen in de richting van wederzijdse erkenning. Dat gaat niet vanzelf, maar het is hoopvol om te zien welke belangrijke stappen in de afgelopen jaren in ENQA-verband zijn gezet.
Toch gaat het voor de NVAO en een aantal accreditatieorganisaties in andere landen nog niet snel genoeg. Dat is de reden dat in de zomer van 2003 het initiatief is genomen om te komen tot de oprichting van ECA, het European Consortium for Accredition, waar op dit ogenblik 14 organisaties uit negen landen lid van zijn, te weten Oostenrijk, Vlaanderen, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Nederland, Noorwegen, Spanje en Zwitserland. ECA is opgericht als projectorganisatie met als doel om eind 2007 tot wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten te komen.
Dat is een ambitieus project en ECA heeft dat opgedeeld in vier fasen:
fase 1: wederzijdse erkenning van elkaars organisaties;
fase 2: wederzijdse erkenning van elkaars procedures;
fase 3: wederzijdse erkenning van elkaars uitspraken over de kwaliteit van opleidingen;
fase 4: wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten.
Op elk van deze fasen zal ik thans kort ingaan, zodat duidelijk wordt op welke wijze de in ECA vertegenwoordigde organisaties invulling geven aan die specifieke fase.
In de eerste fase hebben de organisaties kennis gemaakt met elkaar. Uitgangspunt van alle organisaties diende te zijn dat zij onafhankelijk waren. Dat uitgangspunt wordt weliswaar, afhankelijk van de nationale politieke situatie, niet altijd op dezelfde wijze ingevuld, maar in alle landen is de onafhankelijkheid gegarandeerd: dat betekent dat de stakeholders géén invloed kunnen en mogen hebben op de besluiten van de accreditatieorganisaties. Als er op grond van de uitspraak van de accreditatieorganisatie nog politieke besluitvorming nodig is, dan mag die in elk geval niet betrekking hebben op de inhoud van die uitspraak. Een geconstateerd gebrek aan kwaliteit door middel van een uitspraak van de accreditatieorganisatie mag onder geen beding door de politiek worden overruled. Uiteraard kan een oordeel van de organisatie wel onderworpen zijn aan procedures van bezwaar en beroep. Een fatsoenlijke rechtsgang tegen oordelen hoort een vanzelfsprekend onderdeel te zijn van het accreditatiestelsel. Buiten de noodzakelijke onafhankelijkheid dienen de organisaties uiteraard te voldoen aan de normale eisen van betrouwbaarheid, transparantie, legitimering en continuďteit. De eerste fase van het proces van wederzijdse erkenning hebben de ECA-leden inmiddels achter de rug.
In de tweede fase bestuderen en beoordelen de organisaties elkaars procedures. Ook hier geldt de eis van onafhankelijkheid als “conditio sine qua non”. Op een onafhankelijke wijze moeten de beoordelingen worden uitgevoerd. In vrijwel alle organisaties en landen wordt veel werk gemaakt van de samenstelling van de beoordelende panels. De panels vormen immers het cruciale element in het beoordelingssysteem. In Nederland en Vlaanderen horen panelleden eigenlijk GODen te zijn: Gezaghebbend, Onafhankelijk en Deskundig. Het panel moet in gezamenlijkheid beschikken over domein- en werkvelddeskundigheid, men moet onderwijskundig goed onderlegd zijn en bovendien beschikken over auditkwaliteit. De wijze waarop de panels tot stand komen kan echter verschillend zijn: in Duitsland is dat bijvoorbeeld de taak van de door de Akkreditierungsrat erkende organisaties, in sommige landen benoemen de accreditatieorganisaties de panels zelf, terwijl bijvoorbeeld in Vlaanderen en Nederland weer voor een heel ander stelsel is gekozen. In Vlaanderen is de panelsamenstelling de verantwoordelijkheid van de koepels van universiteiten en hogescholen zelf, maar moet het panel goedgekeurd worden door een onafhankelijke erkenningscommissie. Nederland daarentegen heeft gekozen voor een vrije markt van beoordelingsorganisaties, die moeten voldoen aan een door de NVAO opgelegd protocol en wier panels achteraf moeten worden goedgekeurd. Mocht een panel achteraf niet op goedkeuring van de NVAO kunnen rekenen, dan moet de visitatie opnieuw worden gedaan.
De in de verschillende accreditatiestelsels gebruikte beoordelingsprocedures lijken sterk op elkaar. Vrijwel altijd wordt een zelfevaluatie opgesteld en komt een panel gedurende een of twee dagen op visitatiebezoek. Vervolgens wordt een rapport opgesteld waarop het accreditatiebesluit wordt gebaseerd.
ECA heeft ook fase 2 vrijwel afgesloten. Een half jaar geleden ondertekenden alle organisaties een Code of Good Practice, die in 2007 de basis vormt voor de beoordeling van organisaties en werkwijze van de accreditatieorganisaties. Een maand geleden werden de beginselen voor de samenstelling van panels door vrijwel alle organisaties ondertekend, zodat wij vertrouwen kunnen hebben in elkaars onafhankelijkheid, deskundigheid en de procedure van beoordelingen.
De derde fase op weg naar wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten behelst de resultaten van de beoordelingsprocedure. Twee punten blijken voor alle organisaties van zeer groot belang te zijn, het niveau van de bereikte eindkwalificaties in de bachelor en master, en de wijze waarop de uiteindelijke beoordeling tot stand is gekomen. Door het accepteren van het European Qualifications Framework in Bergen hebben onze ministers een belangrijke stap gezet op weg naar een transparant stelsel van graden en niveaus. Het is nu aan de 45 landen om hun eigen National Qualifications Frameworks op te stellen en deze in te voeren in het Europese raamwerk.
Het moet mij echter van het hart dat ik het merkwaardig vind dat deze fase in de totstandkoming van de Europese Hoger Onderwijsruimte een puur nationale aangelegenheid is geworden. Hoeveel begrip ik ook heb voor het subsidiariteitsbeginsel (je moet alleen iets op supranationaal niveau organiseren als dat meerwaarde heeft), juist bij het vaststellen van de nationale kwalificaties mag er geen enkele ruimte zijn voor wantrouwen. Wederzijdse vertrouwen moet de basis zijn voor wederzijdse erkenning van graden en kwalificaties, en een internationale toets op de kwaliteit en realiteit van de nationale raamwerken zou elk spoor van wantrouwen hebben kunnen doen verdwijnen.
Ik hoop van harte – en de NVAO zal daar ook toe oproepen – dat de ECA-landen elkaars National Qualification Frameworks nauwkeurig zullen vergelijken en ook toetsen. De geloofwaardigheid van studenten- en werknemersmobiliteit zal immers voor een zeer groot deel afhankelijk blijken van de gelijkheid van de niveaus van de graden! En daar mag géén misverstand over bestaan.
De ECA-partners hebben inmiddels al een eerste analyse gemaakt van de inhoud van de toetsingskaders waarmee de opleidingen getoetst worden. Voor 90 procent van de onderwerpen geldt dat zij in alle kaders voorkomen. Het gaat dan om de volgende onderwerpen:
- doelstellingen en eindtermen van de opleiding;
- de inhoud en andere karakteristieken van het programma;
- de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel;
- de materiële voorzieningen;
- studiebegeleiding;
- interne kwaliteitszorg;
- de resultaten van het programma in termen van niveau en rendementen.
Deze grote mate van overeenkomst biedt in elk geval vertrouwen dat alle wezenlijke onderdelen van de te beoordelen programma’s worden bekeken en dat er voldoende overeenstemming bestaat over datgene wat van belang wordt geacht om kwaliteit te toetsen. Van belang is uiteraard ook de wijze waarop de uiteindelijke beoordeling tot stand komt. Motiveringen, argumentaties en wegingen door de panels moeten transparant zijn, waardoor andere instellingen, opleidingen en de studenten goed zicht krijgen op sterke en mogelijke zwakke punten van de diverse opleidingen.
Uiteindelijk is het er immers om te doen dat voor studenten en (potentiële) werkgevers een transparant overzicht ontstaat van wat Europa aan kwaliteit van opleidingen te bieden heeft. Het is daarom ook zeer toe te juichen dat de ECA-partners alle mogelijke vormen van samenwerking zoeken, variërend van het waarnemerschap van organisatie A bij een beoordelingsproces van organisatie B, tot gemeenschappelijke beoordelingsprocessen door twee of meer organisaties gezamenlijk, zoals het geval is bij NVAO en CTI.
Het is overigens interessant om te zien dat de meeste beoordelingsstelsels inmiddels al zo volwassen zijn dat goed gelet wordt op de autonomie van de hogeronderwijsinstellingen om hun onderwijs zó in te richten als zij zelf denken dat het moet. Diversiteit en profilering worden gerespecteerd, uniformering en nivellering worden tegengegaan. Voor studenten en werkgevers geldt derhalve dat niet alleen de kwaliteitsbeoordeling een rol moet spelen bij de keuze voor een opleiding of voor afgestudeerden van een bepaalde opleiding, maar dat men ook goed naar de profileringskenmerken van opleidingen en instellingen moet kijken. De openbaarheid van accreditatiebesluiten en van de diploma-supplementen moet daarvoor een garantie bieden.
Idealiter zou fase 3 van de wederzijdse erkenning, de erkenning van de resultaten van het accreditatieproces, naadloos moeten overgaan in de vierde fase, die van de wederzijdse erkenning van de accreditatiebesluiten. Hier zit echter soms een complicatie. Kunnen de eerste drie fasen van de wederzijdse erkenning worden gezien als een bevoegdheid van de accreditatieorganisaties zelf, de erkenning van besluiten behoort in een aantal landen tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale overheden. De specifieke nationale situatie vraagt hier dus om maatwerk. Zo geldt voor Nederland en Vlaanderen dat wederzijdse erkenning van besluiten bij verdrag is geregeld. Voor elke soortgelijke afspraak met andere landen geldt voor zowel Nederland als Vlaanderen dat verdragen zullen moeten worden opgesteld. De NVAO zal hiervoor het voorwerk verrichten.
Voor andere landen en andere organisaties uit het ECA-consortium gelden weer andere nationale bepalingen. Fase 4 van de wederzijdse erkenning zal dus verschillend verlopen in de diverse ECA-landen en waarschijnlijk ook verschillende jaren in beslag nemen.
Dames en heren, ik rond af. Het is tot nu toe regel geweest dat enige nationale autoriteit (vrijwel altijd de ENIC/NARICs) zich boog over de diplomawaardering van buitenlandse studenten. Dat gebeurt bijna altijd op een gedegen, maar dus ook arbeidsintensieve manier. En dat is terecht, want Hoger Onderwijsinstellingen moeten kunnen uitgaan van het juiste niveau waarmee studenten de opleidingen binnenkomen. Onlangs hebben ECA en een grote meerderheid van de ENIC/NARICs uit de landen die aan ECA deelnemen, met elkaar gesproken. In dat gesprek bleek dat de ENIC/NARICs het zeer op prijs zouden stellen als de ECA-leden zouden komen tot wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten. Dat zou hun administratieve last belangrijk kunnen verminderen!
Maar niet alleen voor de ENIC/NARICs is wederzijdse erkenning van belang. Wederzijdse erkenning - en de daaronder liggende objectivering van niveau en kwaliteit van opleidingen - bevordert de noodzakelijke mobiliteit van studenten en werknemers. Met name voor kleinere West-Europese landen is een internationale arbeidspopulatie een must. Nederland en Vlaanderen zijn hier in ieder geval van overtuigd. Dat is dan ook de reden waarom vanuit deze beide landen continu wordt gehamerd op kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Daarom worden ook eisen gesteld aan de partnerlanden waarmee samengewerkt worden. Die eisen mogen soms arrogant en elitair klinken, maar wij en onze samenwerkingspartners in ECA zijn ervan overtuigd dat alleen kwaliteit geldt. En dat is onze drijfveer.
Ik dank u voor uw aandacht.
