Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
Toespraak Karl Dittrich, voorzitter NVAO, HAN Masterclass, 16 juni 2005.
N.B.: Alleen het gesproken woord geldt. Dames en heren,
Het probleem dat ik het komende half uur aan de orde wil stellen, behoort zonder twijfel tot de meest beladen onderwerpen die ik in mijn toch al redelijk lange bestuurlijke carrière heb besproken. Ga er maar eens aanstaan: een opleidingstype dat in de vorm van professional master in Europa – voorzover ik weet – nauwelijks of geen pendanten kent; een opleidingstype waar men wisselende bedoelingen mee heeft: de een hoopt dat de professional master leidt tot een eigenstandig type opleidingen, dat zich terdege onderscheidt van de academische master, terwijl de ander hoopt dat zal blijken dat een onderscheid tussen beide types masters onhoudbaar blijkt en dat daarmee de bijl wordt gelegd aan de wortel van de binariteit.
Het is ook een opleidingstype waar velen aan denken te kunnen voldoen: de bekostigde HBO-instellingen natuurlijk, maar ook een flink aantal van de 62 aangewezen hogescholen die geen bekostiging krijgen, maar tot nu toe wel op de status van erkenning door de Nederlandse overheid mochten rekenen. De professional master is bovendien een opleidingstype dat klaarblijkelijk heel goed past bij de ontwikkelingen van een aantal nieuwe beroepen, in elk geval in de gezondheidszorg. Een potentieel mijnenveld derhalve en ik zal dus met enige voorzichtigheid te werk moeten gaan om er niet te veel te laten ontploffen en er zo mogelijk een aantal te kunnen demonteren.
Ik blijf dus op een aantal punten op de vlakte, vooral ook omdat de NVAO géén beleidsmaker is, maar een uitvoerder van het beleid dat door kabinet en parlement is vastgelegd en dat voor de NVAO daarmee vaststaat. U zult van mij dus geen uitspraken horen over een mogelijke opheffing van de binariteit. Integendeel de binariteit is voor mij een gegeven. U zult van mij ook geen uitspraken horen over een mogelijke bekostiging van de HBO-master. Daar gaat de NVAO niet over.
Wat ik wel ga proberen is om de mogelijkheden en onmogelijkheden van de professional master te ontleden aan de hand van:
- internationale ontwikkelingen in het kader van de Bologna-afspraken en de verdere uitwerking in de vervolgconferenties van Praag, Berlijn en Bergen;
- ervaringen van de NVAO met beoordelingen van aanvragen voor nieuwe professional masters, die de laatste twee jaar bij ons binnen zijn gekomen;
- verschillen tussen disciplines, omdat we daar in elk geval verschillen zien ontstaan die tot een begrijpelijke differentiatie in de rol en bedoeling van masteropleidingen aanleiding geeft.
1. Internationale ontwikkelingen
Terugkijkend op de Bolognaverklaring van 1999 kan anno 2005 gerust geconstateerd worden dat deze verklaring een ongelooflijke impact op het Europese Hoger Onderwijsbestel heeft gehad. Eigenlijk zonder al te veel discussie – en misschien ook wel zonder goed nagedacht te hebben over de gevolgen – besloten 29 ministers van Hoger Onderwijs om de structuren van hun nationale hoger onderwijsbestel om te vormen tot twee cycli, een bachelor en een master. In Praag (2001) tekenden vervolgens nog eens drie landen de inmiddels al weer uitgebreide verklaring, gevolgd door acht nieuwe ondertekenaars in Berlijn (Berlijn) en opnieuw vijf nieuwe ondertekenaars afgelopen maand in Bergen.
Thans hebben dus 45 landen uitgesproken om in 2010 te komen tot één Europese Hoger Onderwijsruimte: onder andere Rusland en Frankrijk, Portugal en Finland, Moldavië en Wallonië, het Vaticaan en Liechtenstein, allemaal dezelfde geharmoniseerde structuur. Was het maar waar! In Duitsland is pas 15 procent van de opleidingen over naar de nieuwe structuur, Frankrijk weigert de bachelor als officiële graad in te voeren, in Italië heeft men alles administratief omgezet zonder iets te veranderen en in Oost-Europa is de situatie van land tot land verschillend. Hoe kan het ook anders: onderwijs wordt door elke zichzelf respecterende natie beschouwd als het belangrijkste instrumentarium voor het behoud van het eigen culturele erfgoed en de nationale identiteit. En we zijn nog lang niet zover om die op te geven ten faveure van een nieuwe Europese identiteit, laat staan uniformiteit.
Alleen al om die reden is er op talloze manieren gezocht naar gemeenschappelijke kenmerken van bachelor en master om toch vooral maar te komen tot onderlinge vergelijkbaarheid op basis van het nationale beslissingsrecht over het onderwijs. Zo zijn er omschrijvingen gemaakt in ECTS-punten, waarbij de bacheloropleiding en een duur kennen van 180-240 ECTS en een master van 60-120 ECTS, waarbij minimaal 60 ECTS op masterniveau moet worden ingevuld. Dat plaatst de discussie over de duur van de master ook al weer in een speciaal daglicht.
Op initiatief van de Vlaamse en Nederlandse ministers van Onderwijs is vervolgens een poging ondernomen om gemeenschappelijke kwalificaties voor de bachelor en master af te spreken. Dit initiatief heeft uiteindelijk geleid tot de zogenaamde Dublin-descriptoren, die men heel badinerend kan omschrijven als 1 is meer dan 0 en 2 is meer dan 1 (de bachelor bouwt voort op het secundair onderwijs en komt tot een hoger niveau; de master bouwt voort op de bachelor en komt tot een hoger niveau), maar klaarblijkelijk kan men internationaal goed met deze descriptoren uit de voeten. In Bergen is vervolgens overeenstemming bereikt over een European Qualification Framework dat een verdere invulling geeft van de niveaus van bachelor en master (en overigens ook van het kort HBO, de short cycle of de Associate Degree zoals die naar alle waarschijnlijkheid in Nederland gaat heten, en van het doctoraat).
Relevant is nu wel dat er klaarblijkelijk internationaal overeenstemming bestaat over het veronderstelde niveau van de master en dat er dus één uitstroomniveau is! Het doet er klaarblijkelijk niet toe of dat in een binair stelsel gebeurt of niet: er is één masterniveau en de NVAO neemt dat dus over als uitgangspunt voor de beoordeling. HBO-master en WO-master, of beter gezegd de professional master en de academische master, moeten opleiden tot hetzelfde niveau, maar dat hoeft niet met dezelfde inhoud of dezelfde werkwijze. Onze twee masters moeten gelijkwaardig zijn, maar hoeven niet gelijk te zijn!
Binariteit is niet door God gegeven, maar het is ook geen Nederlands unicum: in behoorlijk wat Europese landen is sprake van binariteit. Ik noem zonder volledig te willen zijn: Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Ierland, België, Finland, Denemarken. Alleen in Nederland is de binariteit echter consequent doorgetrokken op masterniveau. Het is bijvoorbeeld heel interessant te zien dat onze Vlaamse collega’s alleen academische masters kennen en dat de hogescholen die masters aan bieden de komende acht jaar door een zwaar academiseringsproces heen moeten, dat waarschijnlijk niet in alle gevallen tot succes zal leiden. En is het nu volstrekt logisch dat de masters in de kunst allemaal moeten gaan zoeken naar de wijze waarop het onderzoek in de masteropleidingen moet worden ingebracht, tenzij men bijna axiomatisch stelt dat het maken van kunst per definitie gelijk is aan het doen van onderzoek?
Zoveel hoofden dus en zoveel zinnen en dus géén eenduidigheid. Uit de internationale ontwikkelingen leidt de NVAO voor het Nederlandse stelsel alleen maar af dat de academische en professionele masters gelijkwaardig moeten zijn, maar niet gelijk. Een professionele master mag dus niet van een ander niveau zijn dan een academische master en hij is ook geen tweederangs master! En dat heeft consequenties!
2. De ervaringen van de NVAO
In de afgelopen twee jaar heeft NVAO iets meer dan 40 aanvragen voor de beoordeling van nieuwe professional master gekregen. Aangezien de professional master eigenlijk in de zin van de wet een nieuw type opleiding is, gaat het nog niet om accreditaties, maar om een toets nieuwe opleidingen. Van deze aanvragen zijn er 22 positief beoordeeld, maar ter voorkoming van euforie of van een te optimistische sfeer, deel ik u meteen mee dat 13 van de positief beoordeelde opleidingen de nieuwe masters Advanced Nursing Practice en Physician Assistent betreft en dat bovendien nog een aantal lerarenopleidingen zijn goedgekeurd.
Dat plaatst het getal van 22 dus in een iets ander perspectief. Om welke redenen zijn de andere aanvragen, die vooral betrekking hadden op de sector Economie en Management dan afgekeurd?
- Een belangrijke negatieve overweging was het gebrek aan niveau. De aan de NVAO adviserende panels kwamen meermaals tot de conclusie dat de voorgestelde opleiding te weinig diepgang had. Dat bleek uit de gebruikte literatuur, en de al gerealiseerde werkstukken. Veel van deze opleidingen werden al aangeboden, maar wilden nu het kwaliteitsstempel verwerven. De literatuur was te basaal, het niveau van de werkstukken eveneens. Deze masters kwamen dus in onvoldoende mate over het niveau van de bachelor heen. En een master zal in elk geval gedeeltelijk dieper moeten gaan dan een bachelor;
- Een tweede negatieve overweging betrof de te grote diversiteit van de instroom in deze opleidingen. Dat heeft natuurlijk te maken met het gebrek aan bekostiging voor een groot deel van deze masters. Daarom moet een fors aantal deelnemers geworven worden om de kosten gedekt te krijgen of – in het geval van commerciële aanbieders – een positief financieel resultaat te realiseren. En ook dat heeft consequenties. Te vaak moesten de panels constateren dat de instroom zó divers was dat de helft van het eenjarige masterprogramma nodig was om de deelnemers op hetzelfde niveau van kennis en inzicht te krijgen en dan bleef nog maar 30 ECTS over om het masterniveau te realiseren en dat is te weinig!
- Een derde negatief punt bleek het niveau van de docenten. Het is aan de ene kant opvallend hoeveel mensen die in de private sector werkzaam zijn, hun kennis en ervaring willen delen met studenten. Maar dan moet die kennis en ervaring wel van een behoorlijk niveau zijn. En dan valt op hoeveel organisatieadviseurs en trainers met een éénmanspraktijk klaarblijkelijk hun docentschap nodig hebben om iets bij te verdienen of extra cachet te verlenen aan hun adviespraktijk. De verbinding met de beroepspraktijk is en blijft een essentieel kenmerk van een professionele opleiding, maar het moet dan wel gaan om gecompliceerde praktijkcases en niet om elke vorm en niveau van praktijk. Bovendien lijkt het in elk geval niet vanzelfsprekend dat diegenen die een bachelorgraad hebben behaald, onderwijs geven in een opleiding die tot een mastergraad moet leiden.
- De vierde ernstige bedenking heeft te maken met de samenstelling van een masterprogramma. In elk beroep doen zich wijzigingen voor en de beroepspraktijk wijzigt natuurlijk voortdurend. Het is dan ook bijzonder nuttig om bijgeschoold te worden en daar zijn heel veel cursussen voor. Maar een opleiding is meer dan een verzameling modulen! Een opleiding heeft een doelstelling en om die doelstelling te bereiken wordt een programma samengesteld. Maar daar moet samenhang in zitten. Een aantal keren is de NVAO geconfronteerd met opleidingen die bestonden uit zes losse modulen die allemaal iets met management of communicatie te maken hadden. Elk van deze modules kende een nuttige invulling, met name gericht op bijscholing, maar in gezamenlijkheid was er geen sprake van een samenhangend curriculum.
- Tot slot de vijfde en laatste serieuze kanttekening heeft betrekking op de tijdsbesteding van de studenten (4 uur per 2 weken). Natuurlijk is het begrijpelijk dat masterstudenten een baan hebben en dat zij lang niet altijd in staat zullen zijn om vaak les te volgen: er is niets tegen een curriculum met minder contacturen, maar daar moet dan wel iets tegenover staan. Dan zal ook moeten worden aangetoond dat de tijd voor zelfstudie inderdaad op een goede wijze wordt besteed. Sommige masters willen echter zo verdiepend zijn dat contacturen nodig zijn om studenten te helpen een brug te slaan tussen de beroepspraktijk en de nieuwe inzichten. Vaak is dan toch nodig dat face-to-face – onderwijs wordt ingezet en dat wordt geprobeerd te reflecteren op deze nieuwe kennis samen met de docenten en de medecursisten. Een aantal curricula voldoet hier echter niet aan.
Laat ik het voorgaande eens op een positieve wijze proberen de interpreteren. Een goede professional masteropleiding voldoet aan de volgende kenmerken:
- het programma is voldoende verdiepend ten opzichte van een voorafgaande bachelor;
- minimaal 60 ECTS-punten worden in het programma op masterniveau aangeboden;
- de docenten hebben voldoende theoretische en praktijkkennis op masterniveau;
- het programma is samenhangend en kent een opbouw die leidt tot een kwalificatie op masterniveau;
- de studenten doen een serieuze studie-inspanning en er vindt voldoende contact tussen docenten en studenten, en tussen studenten onderling, plaats.
3. Verschillen in domeinen
Een professionele bachelor, ofwel een HBO-bachelor, is een erkend en gewaardeerd beginnend beroepsbeoefenaar. Met de academische, ofwel een WO-bachelor zijn we zover nog niet. Dat zal zonder enige twijfel gewoon een kwestie van tijd zijn en op het ogenblik dat een van de grote werkgevers in Nederland (Shell, Unilever, Philips, AKZO, de rijksoverheid) begint met WO-bachelors in dienst te nemen, wordt de nu vanzelfsprekende doorstroomkwalificatie van een WO-bachelor zeer snel vervangen door een uitstroomkwalificatie. Maar zover is het nu nog niet.
Laten we eens uitgaan van die beginnende beroepsbeoefenaar. Kennis en inzicht en het toepassen ervan zijn aanwezig op het niveau dat voldoende is om een beroep uit te oefenen. En een groot deel van de HBO-bachelors gaat dat ook doen, tot tevredenheid van het werkveld zoals uit bijna alle visitatierapporten die tot accreditatie gaan leiden, blijkt. Ik kan me voorstellen dat veel van deze werknemers via bijscholing en via ervaring de ontwikkeling in zijn beroep kan en zal bijhouden.
Een aantal van hen groeit natuurlijk door. Sommigen ontwikkelen zich verder in het beroep zelf, anderen maken een overstap of komen in een andere rol terecht. In dat soort gevallen zou de behoefte aan een masteropleiding kunnen gaan ontstaan. Men komt terecht in een gespecialiseerde functie, zoals bijvoorbeeld de Physician Assistant, en heeft daar dus een specifieke opleiding voor nodig. Het is interessant om te zien dat een dergelijke opleiding vervolgens wordt opgezet in de omgeving waarin de functie wordt uitgeoefend en dat die opleiding vorm wordt gegeven door diegenen die met die nieuwe beroepsbeoefenaar te maken gaan krijgen. Dus in het geval van bijvoorbeeld een Advanced Nursing Practitioner wordt de opleiding vorm gegeven met een academisch of zeer groot algemeen ziekenhuis en wordt een belangrijk deel van die opleiding gegeven door ervaren medische specialisten. Het beroepenveld heeft deze nieuwe functie als het ware gedefinieerd en in de hele structuur van beroepen in de gezondheidszorg opgenomen. Consequentie is dan ook dat dit beroep officieel wordt erkend en opgenomen in de wet Beroepen in de Gezondheidszorg.
Een ander type ontwikkeling wordt doorgemaakt door diegenen die in hun beroepenveld leidinggevende of managementtaken opgedragen krijgen. Gebaseerd op een grondige kennis van het beroepsdomein ontwikkelen deze beroepsbeoefenaars andere kwaliteiten, die hen geschikt maken voor een verdere ontwikkeling. Ook deze personen zullen dan behoefte kunnen krijgen aan scholing en het gaat dan vaak om algemene kennis op een hoog niveau. Men zou de algemene managementopleidingen en de MBA’s in deze categorie kunnen onderbrengen. Het gaat dan dus uitdrukkelijk om personen met een aantal jaren beroepservaring die vanwege het feit dat zij in steeds gecompliceerdere situaties terecht gaan komen, een apart opleidingstraject nodig hebben.
Een derde categorie masters zou zich kunnen voordoen ten behoeve van een specifiek specialisme als vervolg op een bachelor. Wellicht is de leraar speciaal onderwijs daar een goed voorbeeld van. Men volgt een lerarenopleiding tot op het niveau van de beginnende beroepsbeoefenaar en gaat vervolgens verder in een gespecialiseerde, verdiepte masteropleiding. Eenzelfde voorbeeld kan men zich voorstellen in de kunstopleidingen, waar een beperkt aantal afgestudeerden verder gaat in een specialistische of verdiepende richting.
Wat hebben deze voorbeelden met elkaar gemeen en wat leren ze ons? Een aantal zaken:
- een masteropleiding wordt sterk bepaald door ontwikkelingen in het beroepenveld, waarin specialisaties of niches tot ontwikkeling worden gebracht en een specifieke opleiding wordt ontwikkeld, gebaseerd op de ontwikkeling in dat beroepenveld. De lat ligt dan hoog;
- een masteropleiding kan ook zijn gericht op meer algemene beroepsmatige of individuele ontplooiing, waardoor voortbordurend op een reeds bereikt niveau van competenties, nieuwe competenties worden toegevoegd op een hoog niveau van complexiteit. Hier moet men zeer attent zijn op het niveau;
- een master is maar hoogst zelden direct aansluitend op de bacheloropleiding. Over het algemeen genomen is een aantal jaren werkervaring een must;
- omdat met name de specialismen gebaseerd zullen zijn op nieuwe ontwikkelingen ligt het in de rede dat deze opleidingen zich zullen situeren rond lectoren: van hen mag immers verwacht worden dat zij heel goed zicht hebben op de ontwikkelingen in hun beroepsdomein en dat zij in staat zijn die ontwikkelingen te vertalen in een adequate opleiding.
4. Conclusie
Dames en heren, waartoe leiden deze overwegingen en interpretaties ons? Ik kom tot een aantal conclusies. De eerste is dat de professional master nog bepaald niet tot bloei gekomen is. Er wordt veel beweerd en gepoogd, maar vooralsnog blijkt het trial and error. De tweede conclusie is dat er een begrijpelijke en natuurlijke behoefte is aan scholing op een hoog niveau van kennis, inzicht en de toepassing ervan in gecompliceerde praktijksituaties. Ervaring in de praktijk lijkt een logisch vereiste voor het overgrote deel van de professional master. Het gaat dus meestal niet om doorstroommasters, maar om opleidingen die geschikt zijn om ervaren beroepsbeoefenaars beter en vaardiger te maken. De geconstateerde behoefte aan scholing kan zowel afkomstig zijn van een beroepsgroep als van het individu.
In het geval de behoefte collectief blijkt te bestaan zal er een ontwikkeling zijn in de richting van een beroepsprofiel op masterniveau. In andere gevallen zal voornamelijk worden gevraagd naar algemene managementopleidingen. Hier zit echter een valkuil. “Voldoen aan de vraag” is niet voldoende. Mijn ervaring nu is dat de vragers niet kieskeurig genoeg zijn.
Het lijkt mij dat de masteropleidingen te veel betekenend zijn om over te laten aan willekeurig welke aanbieders. Het verbaast me eigenlijk dat de hbo-instellingen in gezamenlijkheid niet meer initiatief nemen om de professional master een bijzondere status te geven. Ik snap het probleem van het ontbreken van publieke bekostiging, maar ik zie tegelijkertijd een markt opengaan waar vanuit werkgevers in het bedrijfsleven en het publieke domein een duidelijke behoefte aan bestaat. Dat verbaast me niet . De door de heer Goedhart al genoemde redenen voor de groeiende behoefte aan hoogwaardige opleidingen spreken voor zich. Er lijkt dus een wereld te winnen, maar alleen kwaliteit telt!
