Actueel
NieuwsNieuw accreditatiestelselAgendaNVAO CongressenToespraken & Artikelen20072006200520042003CorrespondentieVraag en antwoordNieuwsbriefRSS FeedsToespraken & Artikelen
Toespraak Karl Dittrich, voorzitter NVAO, Nederlands Accreditatiecongres 2005, WTC Rotterdam, 20 april 2005.
N.B.: Alleen het gesproken woord geldt.
We kunnen vanochtend de stand opmaken na twee jaar ervaring met het accreditatiestelsel. De NVAO heeft twee jaar ervaring met de toets nieuwe opleiding, anderhalf jaar ervaring met researchmasters en bijna een jaar ervaring met accreditaties. Over alle drie van onze hoofdtaken zijn opmerkingen te maken, ik zal echter de meeste aandacht geven aan de ervaringen met betrekking tot accreditaties, omdat velen van u zich daarop aan het voorbereiden zijn of zelfs al ervaring met accreditaties hebben opgedaan. Daarna ga ik kort in op de Toets Nieuwe Opleiding, de researchmaster en onze andere taken.
Accreditatie
Wij hebben inmiddels al zo’n tweehonderd rapporten uit wo, hbo en aangewezen onderwijs beoordeeld. Wat wij te zien krijgen, zijn uiteraard opleidingen die volgens NVAO-beslisregels in aanmerkingen komen voor accreditatie. Met een onvoldoende voor een onderwerp komt men uiteraard niet, omdat dan géén accreditatie kan volgen. Het overgrote deel van de aanvragen is dan ook positief beoordeeld, een zeer beperkt aantal rapporten is afgekeurd, een aantal malen is toelichting gevraagd aan panel en VBI, soms is of wordt door de NVAO een extra verificatie ondernomen, omdat de NVAO gerede twijfel heeft over de oordelen van de panels. Die extra verificatie moet worden beschouwd als het zeer zorgvuldig inwinnen van extra informatie, omdat de gevolgen van onthouding van accreditatie zeer ernstig zijn.
Enkele kanttekeningen bij de beoordelingen tot nu toe:
- De samenstelling van de panels is een punt van aandacht: het aantal panels is natuurlijk enorm groot, maar vooral de domeindeskundigheid en de internationale deskundigheid lijken ons soms te licht ingevuld. Verantwoording is aangescherpt: waarom voldoet dit panel aan het protocol? Wij vragen opleidingen en instellingen hieraan voldoende aandacht te schenken. Het gaat om deskundigheid, maar ook om de ‘openheid’ (i.c. het niet vooringenomen zijn) van het panel. Dus voor instellingen en opleidingen bestaat een expliciete rol aan het begin van het proces.
- Motivering en argumentatie van oordelen roepen met enige regelmaat twijfels op. Voor opleiding en instelling ligt hier een rol, aan het einde van het interne proces. Lees het rapport niet alleen met een blik van herkenning, maar probeer het ook eens te lezen als relatieve buitenstaander. De taak van de NVAO is om tot een eigenstandig oordeel te komen op basis van het rapport. Als dat niet kan, hebben we een probleem.
- Opvallend is de zeer matige vergelijking van de te beoordelen opleidingen met andere opleidingen in binnen- en buitenland. Heel vaak lees je dat ‘deze opleiding is uniek en heeft geen pendant in het buitenland’. Nu willen we dat soms wel eens aannemen, maar elders bestaan toch ook SPH-opleidingen, P&A-opleidingen, laat staan communicatie-opleidingen? Overigens is het opvallend dat in diezelfde rapporten waarin de uniciteit zo wordt benadrukt, vol trots wordt vermeld dat er interessante internationale samenwerkingsverbanden bestaan. Dit probleem komt naar voren in de rapporten, maar is natuurlijk eigenlijk een probleem van de opleidingen! Probeer eens te benchmarken met collega’s elders. Dat doet ook meer recht aan de toch zo ruim klinkende uitroep dat het Nederlandse hoger onderwijs zo internationaal bezig is!
- De beoordelaars van de NVAO worden wel eens door twijfels overmand als het gaat om de beoordeling van varianten en locaties. Uit de rapporten wordt lang niet altijd voldoende duidelijk dat het panel de varianten en locaties zelfstandig heeft beoordeeld. Dat roept wel eens vragen op, vooral omdat ‘duaal’ toch wel een ander programma veronderstelt dan bijvoorbeeld ‘voltijd’. Hetzelfde geldt voor de deeltijd, zeker als daar ook nog een kortere studieduur aan wordt gekoppeld.
- Tot nu toe is er geen reden om aan te nemen dat de accreditatiekaders belemmerend werken voor onderwijskundige vernieuwing. Competentiegerichtheid, vraagsturing, majors en minors, action learning: een verstandig panel kan daar open en goed mee omgaan als de betrokken opleidingen voldoende toelichting en uitleg kan geven en de consequenties kan laten zien!
Kanttekeningen, adviezen en aanbevelingen in de rapporten leiden natuurlijk niet vanzelf tot een ‘onvoldoende’. De NVAO bestaat niet uit slagers en beulen. Van de NVAO mag en moet worden verwacht dat wij een rapport kunnen begrijpen en daar doorheen kunnen lezen, vooral wanneer een panel goed motiveert en argumenteert waarom bepaalde afwegingen zijn gemaakt. Zo kan de verbeterfunctie uitdrukkelijk een rol blijven spelen in het stelsel van kwaliteitszorg. Weinig opleidingen zijn immers ‘af’, er valt bijna altijd nog wel iets te verbeteren.
Er begint inmiddels wel een patroon zichtbaar te worden in de beoordelingen. Sommige facetten zijn klaarblijkelijk ingewikkelder dan andere, ik noem u enkele:
- Beoordeling en toetsing: onderwijsvernieuwing lijkt sneller te gaan in de curricula dan in de bijbehorende beoordeling en toetsing. Toetsbeleid is belangrijk, omdat toetsing aan moet sluiten op de vorm van het onderwijs. Bovendien blijkt de borging nog wel eens een probleem te zijn, waardoor de consistentie in beoordeling en toetsing regelmatig als zwakke stee wordt beschouwd.
- Daarbij aansluitend is het wel eens verbazingwekkend te lezen hoeveel kritiek panels hebben op de kwaliteit van de afstudeerwerkstukken, zowel wat betreft de inhoud als wat betreft de beoordeling. De Onderwijsraad heeft meer gelijk dan ik vorig jaar nog dacht.
- Even verbazingwekkend is het om te zien hoe gemakkelijk wordt verklaard dat men een hbo-opleiding in drie jaar kan halen. Dat vergt uitleg, niet vanwege het onbegrip over het concurrency beginsel, maar vanwege het gemak waarmee een werkplek wordt meegeteld. Veronderstelt dat niet dat men eisen stelt aan de kwaliteit van die werkplek, aan de praktijkbegeleider en aan projecten die men op de werkvloer uitvoert?
- Vooral bij universiteiten is de interne kwaliteitszorg wellicht wel aanwezig, maar voor een relatieve buitenstaander niet gemakkelijk te doorgronden. Met alle respect voor tradities, maar louter het bestaan van universiteiten is géén ultiem bewijs voor kwaliteit! Een stelsel van kwaliteitszorg zou een vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van onderwijsbeleid en moet niet gezien worden als een van de bureaucratische eisen van het accreditatiestelsel!
- Rendementen: hebben geen absolute betekenis, maar relatieve! Het gaat er niet om dat streefdoelen niet worden gehaald, maar om het verhaal daarachter! Het is toch niet vreemd om een doelstelling te kiezen op basis van langjarige ervaring en het is toch ook niet vreemd om uitleg te geven over een betekenisvolle over- of onderschrijding?
- Verder blijken alumni en werkveld zeer tevreden over de afgestudeerden en de aansluiting van hun opleiding op de arbeidspraktijk, aan de andere kant wordt er stelselmatig geconstateerd dat het aantal aan de studie bestede uren niet in de buurt komt van de door de wetgever bedoelde normen. Is het toch niet zinvol om af te stappen van die merkwaardige ‘studiebelastingsnormen’ en de studielast maar aanzienlijk te gaan verzwaren? Ik weet dat de NVAO daar niet over gaat, maar het is wel een opvallend gegeven. Minder paradoxaal, maar wel een aandachtspunt: ‘waar blijft de kennis?’ Gaat die ten onder in het geweld van competenties, POP’s, vaardigheden en activiteitenplanningen?
Nieuwe opleidingen
Andere punten die opvallen: we zien veel nieuwe opleidingen: dit kan duiden op een groot vertrouwen en een grote dynamiek. Tot nu toe is de helft van de aanvragen positief beoordeeld. Dit had zeker in de beginfase te maken met een leerproces. Er bleek een zekere onderschatting bij professional masters (een master is niet louter een bachelor plus iets anders, maar heeft te maken met niveau, verdieping en attitude); bij de betekenis van een MBA (staat BA niet voor Business Administration? Dan moet dat ook zichtbaar zijn het programma) en bij het inzicht kunnen geven in het bereiken van kwaliteit en doelstellingen.
Bepaalde interdisciplinaire opleidingen blijken zeer populair, vooral de combinaties van communicatie, management, internationaal en business. Bijvoorbeeld management van internationale communicatie, internationaal communicatie-management, communicatie en international business en zo zijn er nog talrijke combinaties te vinden. Hoe zit het met de verbinding met het beroepenveld?
Problemen bestaan onder meer op het vlak van de doelstellingen: waarvoor wil men opleiden? Op het punt van het programma: samenhang en inhoud. Het personeel: het is toch prettig als er echte deskundigen bij een opleiding zijn en worden betrokken. En bij het meeliften op hypes: life sciences, nanotechnologie enzovoorts, hier lijken de deskundigheid en de faciliteiten te ontbreken en zijn ze ook niet zo maar in te huren.
De samenstelling van het panel is uiterst belangrijk. Daarom is ook instemming van de NVAO nodig wanneer men besluit om een VBI in te schakelen en een Toets Nieuwe Opleiding uit te voeren. Dat kan geen vluchtweg zijn; de NVAO blijft kritisch op deze kwaliteitstoets en zal niet schromen om de beoordeling naar zichzelf toe te trekken.
Researchmasters
Sinds midden vorig jaar is de researchmaster onderdeel geworden van de Toets Nieuwe Opleiding. Dat betekent dat meer onderwerpen dan voorheen worden beoordeeld. De KNAW-commissies hebben dat met toewijding gedaan. Het is overigens te merken dat in bepaalde sectoren de vanzelfsprekende researchmasters al positief zijn beoordeeld. Soms wordt duidelijk dat de ‘toppers’ al zijn geweest, de subtop komt nu met aanvragen.
De NVAO kijkt met veel belangstelling naar het overleg en de discussies over de MPhil-titel. Het lijkt ons een waardige bekroning van deze opleiding, en bovendien internationaal een zeer herkenbare.
Inspectie- en andere taken
In het voorjaar van 2003 heeft de NVAO enkele Inspectietaken overgenomen: vrijwel alle meta-evaluaties zijn nu afgerond. Het proces van EBH’s loopt. De NVAO probeert zich zoveel mogelijk bij de instelling en opleiding op de hoogte te stellen van de voortgang, omdat dat tot het meeste resultaat en inzicht leidt. Zo zijn bijvoorbeeld de laatste maanden veertien Pabo’s bezocht en zijn ettelijke keren bij universiteiten en hogescholen gesprekken gevoerd over de voortgang op verschillende dossiers.
Op het gebied van internationale samenwerking:
- De samenwerking met Vlaanderen is sinds 1 februari een officieel feit. Voor de Vlaamse en Nederlandse medewerkers en bestuurders van de NVAO betekent samenwerking een verrijking.
- Het European Consortium for Accreditation - ECA, door onder meer de NVAO opgericht om wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten te realiseren, boekt gestaag voortgang. De code of good practice, voorschriften over het samenstellen van de panels, de interne kwaliteitszorg worden of zijn reeds vastgelegd. Het aantal deelnemers neemt ook toe.
- De ENQA neemt een actievere rol op en verzet zich niet langer tegen accreditatie.
Algemene conclusies
Het accreditatiestelsel is snel en goed geland. Ondanks gemor, kritische kanttekeningen, nieuwe spelers en een nieuw spel, hebben we in een beperkte tijd een leerproces ondergaan dat effect heeft. Het stelsel heeft ook behoorlijk wat losgemaakt. De visitatie werd een beetje "sleets" en is vervangen door bewuster na te denken over kwaliteit, kwaliteitszorg en profilering. Dat is winst ten opzichte van het eerdere stelsel en leidt tot een echte kwaliteitscultuur binnen opleidingen en instellingen.
Tegelijkertijd is er ook zorg:
- angst en bezorgdheid bij opleidingen of men de drempel van de basiskwaliteit wel haalt. Meestal lijkt mij die zorg onterecht, maar hij is begrijpelijk bij diegenen die nog nooit een externe evaluatie hebben ondergaan;
- angst en bezorgdheid voor bureaucratie en overdreven verantwoording bij universiteiten. Hoewel ik daar niet altijd van onder de indruk ben, deelt de NVAO de zorg van onnodige bureaucratie. Clustering van opleidingen in eenzelfde sector, oordelen op een hoger aggregatieniveau waar mogelijk (vooral mogelijk bij de onderwerpen "personeel", "voorzieningen", "kwaliteitszorg") onder conditie dat oordelen over opleidingen mogelijk blijven en dat het panel zich ervan vergewist dat "beleid" ook daadwerkelijk op opleidingsniveau is geïmplementeerd;
- tot slot is er angst voor de kosten van het stelsel. Binnenkort is het rapport van de Inspectie van het Onderwijs te verwachten. Dan wordt duidelijk of een reële vergelijking met het pré-accreditatiestelsel kan worden gemaakt.
Ik wil u wijzen op enkele punten van aandacht vanuit de NVAO.
Het stelsel van kwaliteitszorg wordt onder alle omstandigheden belangrijk, niet alleen voor externe verantwoording, maar vooral als normaal onderdeel van het onderwijsbeleid. "Ben ik in control en hoe kan ik dat laten zien?" Bovendien zal in ieder volgend stadium van accreditatie – en dat komt ergens in 2010 na een eerste ronde van opleidingsaccreditatie – kwaliteitszorg altijd een wezenlijk onderwerp blijven. Voor ons is het ook duidelijk dat dit thema internationaal een grote rol speelt.
De relatie met het beroepenveld.
De examinering: die zal toch uiteindelijk moeten laten zien of de student het bedoelde en beoogde niveau heeft behaald. Poets dat niet weg.
Internationaal kan het Nederlandse stelsel goed worden uitgelegd. Het wordt bovendien gewaardeerd. In ECA-verband worden vorderingen gemaakt die mogelijk in de komende jaren al tot wederzijdse erkenning van accreditatiebesluiten gaan leiden. Bovendien krijgen geaccrediteerde opleidingen een streepje voor.
Profilering én meer diversiteit tussen opleidingen worden mogelijk, ook al kunnen beide nog meer worden benadrukt wanneer de opleidingen en instellingen nog meer zelfvertrouwen krijgen. Houd goed voor ogen dat accreditatie niet gaat om de vraag "of u waarmaakt wat de NVAO wil", maar "of u waarmaakt wat u belooft", waarbij de bachelor- en masterlat uiteraard op het internationaal aanvaardbare niveau worden gelegd. Als we zo naar accreditatie kijken, is het leven wèl leuk (vrij naar Youp van ’t Hek).
